Sterven temidden van details; De nagelaten papieren van de Amerikaanse schrijver Richard Brautigan

Toen het lichaam van de Amerikaanse schrijver Richard Brautigan, beroemd in de jaren zestig, vergeten in de jaren zeventig, op 26 oktober 1984 in zijn huis in Bolinas gevonden werd, zes weken nadat hij zelfmoord had gepleegd, lagen er om hem heen papieren: brieven van zijn agent, aanzetten tot een verhaal over Amsterdam en brieven van Japanse vrouwen. Jan Donkers reisde naar Bolinas en las de papieren in de Bancroft Library. “Mijn eerste reactie was: klootzak! Waarom schreef je daar geen verhaal over?”

Brautigans The Tokyo-Montana Express verschijnt voorjaar 1993 in vertaling bij Bert Bakker.

Wie naar Bolinas wil rijden, moet daar echt zijn best voor doen. De bewoners van het dorpje, dat op een geïsoleerd punt ligt aan de oceaankust van Marin County, een uur rijden van San Francisco, kunnen niet verhinderen dat hun woonplaats op de gedetailleerdere kaarten van Noord-Californië staat aangegeven. Maar ze hebben wel alle bewegwijzering tot in de verre omgeving weggehaald, en blijven dat consequent doen, zodat het een verrassing is dat, halverwege Route 1 tussen Point Reyos Station en Stinson Beach, zich naar rechts tussen de sequoia-bomen door een ongemarkeerde weg afbuigt, die uiteindelijk leidt tot een conglomeraat van houten huizen, woonboten en organische detailhandel.

Bolinas is the end of the road; de weg houdt op aan het eind van de dorpsstraat en gaat over in het strand, waar aan het eind van elke dag wel een aantal inwoners toeschouwer is van het ondergaan van de zon, áls die zich tenminste laat zien van achter de zeemist.

Bolinas is ook the end of the road voor veel van de bewoners, die hier aangespoeld lijken op de laatste woelige baren van de jaren zestig. Het is een stadje van kapotte beschilderde busjes en vlekken-T-shirts, van behaloze vrouwen en mannen met geruite hemden en lange haren en gezichten die rood en gezwollen zijn van de drank.

Een vreemdeling is, zoals hij al kon vermoeden, niet echt welkom in Bolinas. Op straat en in winkels wordt een groet maar zelden beantwoord: de outsiders van Easy Rider zijn hier de insiders geworden, met maar weinig tolerantie voor glimmende auto's van de andere kant van de baai, laat staan voor hun inzittenden.

Bolinas was in elk geval the end of the road voor de schrijver Richard Brautigan, die op zondag 15 september 1984 in zijn donkere, tussen de bomen gelegen houten huis aan Terrace Street een kogel door zijn hersens joeg. Het moet die dag geweest zijn, weet zijn buurman nog, omdat hij zich later herinnerde dat hij een schot hoorde toen hij naar een football-wedstrijd zat te kijken op de tv. Maar pas toen zijn hond op de avond van de 26-ste oktober, zes weken later, begon te blaffen en te snuffelen aan de deur van buurman Brautigan, besloot hij eens te kijken waar die lucht toch vandaan kwam.

Brautigan vestigde zich in 1968 in Bolinas en in de roman In Watermelon Sugar die hij in dat jaar schreef creëerde hij een soort idyllische parabel van het plaatsje, waar de buren in eendracht leefden, werkten en aten en waar "de zon iedere dag scheen met een andere kleur'. Het was zijn derde prozaboek. Zijn eerste twee, A Confederate General from Big Sur en Trout Fishing in America, hadden hem rijkdom en faam gebracht tot ver buiten San Francisco. Het was proza dat toen aantrekkingskracht uitoefende door de speelsheid van de taal, het aangename gemak waarmee woorden los van hun betekenis werden gezongen en de grenzeloos lijkende verbeeldingskracht van de schrijver.

Lieflijk

Helaas bleek het ook proza dat de modieuze voorkeuren van de tijd niet lang overleefde; als ik deze boeken nu herlees, word ik getroffen door een irritante stuurloosheid en een fatale lieflijkheid. Brautigan schreef mooie zinnen, maar de optelsom van die zinnen wordt gekenmerkt door naïviteit en een weigering ook maar iets met een verhaallijn van doen te hebben (hoewel een later werk als The Abortion daar wel een poging toe vertoont.)

De Beat-poets, temidden van wie Brautigan zich in de vroege jaren zestig bewoog, konden het werk van deze lange, aandacht opeisende jongen uit Oregon helemaal niet waarderen. Allen Ginsberg noemde hem Bunthorne, naar de charmante maar oppervlakkige dichter uit een operette van Gilbert en Sullivan; en zijn generatiegenoten waren vervuld van een mengeling van afgunst en dédain toen opeens, in de Summer of Love, eerst in San Francisco maar al snel in het hele land, tienduizenden exemplaren verkocht werden van een boek dat nota bene Trout Fishing in America heette.

“Hij was nooit een belangrijk schrijver en zou het ook nooit zijn geworden,” zei Lawrence Ferlinghetti na zijn dood. “Hij had de stem van een kind, een stijl die was gebaseerd op een kinderachtige perceptie van de wereld. De hippie-cultus was natuurlijk een kinderachtige beweging en Richard was precies de schrijver die ze nodig hadden. Het was een niet-literair tijdperk.” Ferlinghetti publiceerde in de jaren zestig wel zijn gedichten in zijn City Lights Journal, en niet verwonderlijk is het Brautigans poëzie die in retrospectief veel levender is gebleven.

Zo duizelingwekkend als zijn faam in korte tijd was gegroeid, zo snel was Brautigans populariteit in de jaren zeventig ook weer voorbij. Hij bleef schrijven en publiceren, maar zijn boeken werden met steeds grotere venijnigheid neergesabeld. Hij scheidde van zijn vrouw, ging in Montana wonen, al hield hij zijn huis in Bolinas aan, en bleef schrijven, om met elk boek harder gekritiseerd te worden. Brautigan verbitterde, begon steeds meer te drinken en een steeds zwaardere belasting te vormen voor de mensen in zijn omgeving.

Drink & dial

Don Carpenter, een oude vriend uit de San Francisco-dagen, herinnert zich vooral hun "drink & dial' gesprekken. “De telefoon ging, meestal diep in de nacht, en dan wist ik dat het Richard was. Dan pakte ik ook een fles bourbon en dan praatten we. Of beter: dan luisterde ik en praatte Richard. En meestal praatte hij niet, maar ging hij tekeer. Dan las hij tierend voor uit recensies, bleef wachten tot hij weer op adem was en begon opnieuw. Hij kon zich er maar niet bij neerleggen dat kunstenaars in dit land niet worden gewaardeerd om de kunst die ze maken, maar om het geld dat ze verdienen.”

Een van de dingen die Brautigan op de been hield was dat zijn populariteit in Japan voortduurde. Tien van zijn boeken werden in het Japans vertaald en hij deed zijn vrienden graag geloven dat daar zijn verhalen zonder pointe en zijn op details gerichte poëzie pas echt werden geapprecieerd. Brautigan begon tussen Montana en Tokio heen en weer te pendelen. Hij schreef een boek dat The Tokyo-Montana Express heette, trouwde een Japanse vrouw - Akiko - en nam haar mee naar Montana. Daar zette hij haar neer op zijn ranch, waar ze niets of niemand kende, en ging terug naar Japan.

“Richard ontwikkelde een niet aflatende zucht naar Aziatische vrouwen,” zegt Carpenter, “het werd een obsessie voor hem, en vanaf het midden van de jaren zeventig waren er altijd meerdere tegelijk in zijn leven.” Akiko stuurde al snel aan op een scheiding, die mentaal en financieel een zware klap was volgens velen die hem na stonden.

Dit is het punt waarop ik melding moet maken van mijn persoonlijke nieuwsgierigheid naar Brautigans laatste maanden. In januari 1984 ontmoette ik hem in Amsterdam; ik had het een en ander gepubliceerd uit zijn Tokyo-Montana Express in de literaire bijlage van Avenue en schreef een stuk over onze ontmoeting in mijn Weekboek voor de Haagse Post. Daarin gaat het vooral over de produktieve weken die hij tot dan in Amsterdam zei te hebben doorgebracht, over zijn ontheemd zijn in de wereld, en over het Japan waarnaar hij de week erna zou terugkeren. Ik herinner me nu vooral dat waar ik nièt over schreef: de onthutsend geladen manier waarop hij over zijn scheiding praatte en naar mijn toen recente scheidingrelaas luisterde.

Later dat najaar zocht Graa Boomsma Brautigan op in San Francisco. Toen hij terug was in Nederland kreeg ik een exemplaar van Brautigans bundel Rommel Drives deep into Egypt, en Graa schreef in een begeleidende brief dat Brautigan speciaal de City Lights Bookstore aan Columbus Avenue was binnengegaan om het te kopen. Daarna waren ze naar een Japans restaurant in Geary Street gegaan waar Brautigan, sake morsend, het exemplaar aan me opdroeg. “Ik wens hem een mooie herfst en dank hem voor zijn vriendschap.”

Vier dagen later schoot hij zich door zijn hoofd, en toen het boek werd bezorgd waren Brautigans resten net gevonden. Toen ik de opdracht las moest ik denken aan wat hij gezegd had in Americain, een half jaar daarvoor: “Ik heb mijn leven lang temidden van details gezworven, zozeer dat ik me, nu ik bijna vijftig ben, soms afvraag: waar woon ik eigenlijk écht? En ik heb het gevoel dat ik die plaats over een tijdje wel zal vinden, en dan zal ik er waarschijnlijk echt gaan wonen. Maar ik ben nog steeds ongelooflijk benieuwd waar die plek zal zijn.”

Bloed

Brautigans dochter uit zijn eerste huwelijk, Ianthe Swensen ("mijn vader dreigde zolang als ik me kan herinneren al zelfmoord te plegen'), heeft een groot deel van zijn literaire nalatenschap geschonken aan de Bancroft Library van de University of California in Berkeley. Daar liggen nu in dozijnen dozen zijn brieven, aantekenboeken en manuscripten. Het meest fascinerende is het materiaal dat na zijn dood in Bolinas werd gevonden, waarvan veel, volgens de classificatie, "bij zijn lichaam.'

“Mijn vader had veel van zijn papieren over zich heen verspreid, toen hij zich door zijn hoofd schoot,” zegt Ianthe Swensen. “Ik ben er niet bij geweest toen ze hem vonden, mijn man en mijn schoonvader hebben de spullen opgeruimd. Ik weet wel dat mijn man hier en daar wat pagina's heeft weggehaald omdat het te afschuwelijk was, ze waren dik van het bloed. Mijn vader zou er zelf van genoten hebben. Hij zou gezegd hebben: "It was quite a horror show'.”

Wie in Bancroft doorneemt wat wél bewaard werd, kan zich een voorstelling maken bij wat een verslaggever van Rolling Stone schreef toen het huis in Bolinas op 26 oktober werd opengebroken: "er was nauwelijks iets van hem over nadat de .44 Magnum en zes weken maden hun werk hadden gedaan'.

Veel getuigenissen geven aan dat Brautigan geruime tijd tevoren van plan was zelfmoord te plegen. Er verstreken, als alle getuigenverklaringen naast elkaar worden gelegd, ongeveer twaalf uren tussen het laatste telefoongesprek dat hij voerde en het schot tijdens de football-wedstrijd. Als hij inderdaad het laatste halve etmaal van zijn leven doorbracht met het ordenen van zijn papieren, als een decor voor zijn stoffelijke resten, dan is het interessant om te zien wat hij de nabestaande wilde vertellen.

Prominent aanwezig bij de voor een groot deel met bloed bespatte papieren waren de brieven van zijn zaakwaarnemer Joseph T. Swindlehurst (Zwendelhorst, in goed Nederlands) die gedurende zijn laatste maanden leek te genieten van de miserabele financiële en literaire positie van zijn cliënt.

Uit een brief van 5 maart 1984, naar het Keio Hotel in Tokio waar Brautigan altijd woonde als hij in Japan was:

“Je hebt kopieën gevraagd van je royalty-overzichten. Het is ons niet gelukt enige inkomsten uit royalties te lokaliseren gedurende de afgelopen drie maanden.”

Op 5 april laat Swindlehurst weten Brautigans ranch in Montana te koop te hebben aangeboden om de overdaad aan kosten het hoofd te kunnen bieden. “Zoals je weet zijn er geen inkomsten de laatste maanden. Ik heb $ 4000 voor je weten te lenen om gas, licht en andere rekeningen te betalen. Ik weet niet hoe het staat met de kosten van levensonderhoud in Japan, maar wou je voorstellen, gezien de omstandigheden, om voorlopig rijst zonder vlees te bestellen.”

Afgeschreven

De kopieën van de brieven van Brautigan zelf zijn veelal even pijnlijk om te lezen. “Op dit punt van mijn carrière ben ik afgeschreven als auteur,” laat hij zijn agent Jonathan Dolger weten vanuit Amsterdam; hij schampert op de literaire elite aan de oostkust en klampt zich vast aan hoopgevende signalen: een optie voor een film hier, een voorpublikatie in Avenue of de Nederlandse Playboy daar.

De laatste aantekenboeken van Brautigan zijn moeilijk te lezen. Zijn handschrift werd met de jaren minusculer ("een echte drinker herkent dat meteen', zegt Don Carpenter: om controle te houden over zijn trillende hand'). Er zijn Margriet-schrijfblokken uit de weken die hij in Amsterdam doorbracht, tientallen pagina's met pogingen een verhaal te schrijven in een Amsterdamse context, "Owl Days' geheten, klaarblijkelijk naar een hotel in Oud-Zuid van die naam.De laatste map bevat twee brieven in krakkemikkig Engels die naast zijn lichaam werden aangetroffen.

“Dear Yngwie,

Allereerst zeg ik dank je wel voor zulke mooie tijd. Het was zo fantastische nacht. Ik vond het heel aangenaam met je te praten. (-) En nu weet ik niets meer te schrijven. Oh maar ik wil dat je dit niet vergeet: I really love you and I believe you. Akane''

In een ander handschrift, op het briefpapier van het Keio Plaza Intercontinental Hotel:

“Dear Yngwie,

Hi! I'm Noriko. Nu wil ik je vertellen wat er met me gebeurd is in Nagoya. En ik wil jou vragen wat er met jou gebeurd is in Nagoya. Geloof me alsjeblieft! Ik wilde je kamer helemaal niet verlaten. Je weet dat ik je graag mag nietwaar? Toen jij weg was kwam "a girl' naar de kamer. En zei tegen mij: Getta way! Yngwie heeft het gezegd! Yngwie wil het. Als je nu niet weggaat komt Yngwie nooit terug naar deze kamer. So: Getta way! En dus ging ik naar mijn eigen kamer en heb de hele nacht gehuild. En mijn hart huilt nog steeds. Heb je dat echt gezegd? Please tell me why. Please. With all my love, Noriko''

Ik zal er wel teveel in willen lezen, maar mijn eerste reactie toen ik het las was: klootzak! Waarom schreef je dáár geen verhaal over. Waarom liet hij zich Yngwie noemen? Wie was Akane en wie was Noriko? Wat was er gebeurd die avond in het Keio Hotel of in Nagoya? Waarom lagen juist deze brieven naast zijn lichaam? Noch Don Carpenter, noch Ianthe Swensen noch zijn editor Jonathan Dolger konden enige opheldering geven.

Brautigans tierende woede tijdens zijn telefoongesprekken met Don Carpenter; de zelfmoord-dreigementen waarmee hij zijn dochter kwelde; het stinkende monument voor het falen dat hij in Bolinas naliet; de felle geobsedeerdheid, die ik in Amsterdam bespeurde, met wat hij zag als verraad van ex-vrouwen, van ex-bewonderaars, en uiteindelijk van een wereld die hem toch ooit als een kleine zonnegod had aanbeden: het zijn allemaal elementen die afwezig bleven in zijn werk. Daarin was maar miniem plaats voor zijn obsessies, die voor een groot deel teruggingen naar zijn verleden, naar de verzwegen mysteries van zijn jeugd als kleuter die 's ochtends door zijn moeder werd achtergelaten en een hele dag alleen maar kon wachten tot de deurknop weer werd omgedraaid, die nooit een vader kende buiten de slordige reeks van mannen die af en toe passeerden om zijn moeder te mishandelen.

“Zijn zelfmoord,” schreef vriend en dichter Michael McClure, “was de culminatie van triomf van het vreemde jongetje over zijn vrienden én zijn vijanden. Vanuit het niets van de door de depressie getekende noordwestkust was hij opgedoken, had getriomfeerd en zichzelf vernietigd. Wat viel er verder te doen?”

Brautigans literaire curve vertoont, acht jaar na zijn dood, nog steeds geen opwaartse beweging. Onlangs heeft een Amerikaanse uitgeverij een voorzichtige poging gedaan zijn werk in omnibusvorm een tweede leven te geven. Er is geen posthuum werk gepubliceerd.

Brautigans dochter heeft nog veel materiaal in haar bezit, waaronder in elk geval een kant en klaar boek, “een reisdagboek, niet zelfbewust en erg treurig. Ik zal het ooit wel voor publikatie vrijgeven.”

Ergens in de dozen in de Bancroft Library, op een memo-velletje met opdruk van het Keio Hotel, van het soort dat hotels voor hun gasten naast de telefoons neerleggen, ligt Richard Brautigans resumé. Het is gestileerd en niet voor niets nog bespat met een fijne regen van zijn eigen bloed. Er staat Reflection boven, en het is gedateerd Tokio, 10 februari 1984.

God, all the shit

that is going to be written

about me

after I am dead.