Regen van een halve eeuw geleden; Foto's van de tabakscultuur op Sumatra in het Tropenmuseum

De ontwikkeling van de tabakscultuur op Sumatra viel samen met de heroïsche fase in de ontwikkeling van de fotografie. Op een tentoonstelling over tabak in het Tropenmuseum zijn van Sumatra foto's van ongeëvenaarde schoonheid te zien. Ze tonen smetteloze emplacementen, schone hospitalen en propere koelieverblijven.

Tentoonstellingen: 500 jaar tabakscultuur en Tabak op Sumatra. Tropenmuseum, Linneausstraat 2, Amsterdam. T/m 8 januari. Ma t/m vr 10-17, za en zo 12-17 uur.

Verreweg het interessantste gedeelte van de tentoonstelling "500 jaar tabakscultuur" in het Tropenmuseum in Amsterdam is gewijd aan de ontwikkeling van de tabakscultuur op Deli - dat is de noordelijke helft van de residentie Oostkust van Sumatra, rondom de hoofdstad Medan en de havenstad Belawan. De reden dat dit min of meer afzonderlijke deel van de tentoonstelling zo belangwekkend is berust op een wonderlijk toeval: de periode waarin deze streek werd ontgonnen viel precies samen met wat je zou kunnen noemen de heroïsche fase in de ontwikkeling der fotografie. Terwijl de pioniers van de tabakscultuur bezig waren door te dringen in het oerbos, wegen en spoorverbindingen aan te leggen, bruggen te bouwen, tabak te planten en uit te rusten op hun voorgalerijen of hari besar te vieren in "de club' (soos), drongen ook de eerste fotografen tot dat gebied door, gewapend met hun platencamera's en statieven, en zo werd de dramatische gedaanteverwisseling van Deli vastgelegd op foto's van ongeëvenaarde schoonheid.

Mijn emotie bij het bekijken van die tentoonstelling zal ook wel iets te maken hebben met het feit dat ik op de oostkust van Sumatra ben opgegroeid en op die foto's allerlei dingen herken die ik als kind met eigen ogen heb gezien; in de getoonde periode (1870-1930) bestond ik weliswaar nog niet, maar zij reikt duidelijk tot in de wereld waarin ik ben opgegroeid. De meeste mensen op deze foto's waren al van het toneel verdwenen, maar grote delen van de omgeving die zij in leven hadden geroepen waren nog intact: veel van de toen gebouwde huizen, de plantwegen, de ondernemingsemplacementen, de "clubs', de vacantiebungalows in de bergen - terwijl allerlei sporen van de stijl van leven uit die tijd nog niet waren uitgewist. En wat uiteraard niet veranderde waren de bergen aan de horizon, de rivieren, de plantengroei en de plaatsnamen.

Na de tabak heeft Deli nog een tweede orkaanachtige ontwikkeling gekend, die van de rubber; de gang van zaken daarbij was in veel opzichten analoog en daaraan heb ik te danken dat ik van allerlei dingen nog het staartje heb meegemaakt: wonen in een houten huis op palen aan de rand van de rimboe, met apen in de bomen en tijgersporen in de tuin, knuppelwegen, overstromingen; planters (mijn vader) in witte toetoep, het platbranden van oerbos, grammofoonmuziek op de voorgalerij; stopflessen, lekstenen, Berkefeld-waterfilters en petroleumlampen, terwijl in de rest van de wereld al generaties waren opgegroeid met elektrisch licht.

Op de foto's van deze tentoonstelling zag ik dingen terug waar ik in geen vijftig jaar aan had gedacht, zoals de afgravingen waarin men hier en daar een conische zuil van aarde liet staan, met nog een plukje van de oorspronkelijke vegetatie er bovenop, ik denk om het verloop van het bodemprofiel te kunnen vaststellen. Toen ik die foto ontdekte zag ik niet alleen de kleur van de grond (baksteenrood), maar ik rook ook de geur - zoals bekend een krachtige losmaker van herinneringen: de geur van regens, een halve eeuw geleden gevallen.

Stereo

De meest evocatieve foto's op de tentoonstelling zijn overigens niet de panelen met afdrukken op papier, maar de stereofoto's op glasplaten, te zien met behulp van twee antieke stereoscopen van het type 'what the butler saw', door de altijd weer aangrijpende ervaring van diepte. Gewone foto's zijn afbeeldingen van het verleden, maar wat in die mahoniehouten kastjes wordt bewaard is het verleden zelf, brokken ervan, voor eeuwig weggeborgen in de diepvries van de tijd, roerloos en stil; je kijkt er in, aan de grond genageld: Medan, de Esplanade, de Kesawan, bijna precies zoals ik het heb gekend; bungalows in Brastagi, waar ik vaak als kind heb gespeeld. Er zijn ook twee foto's bij van een auto-ongeluk: een open auto zoals er ook in mijn jeugd nog overal in Indië reden, van de weg geraakt en "masoek parit', spectaculair op zijn kant in de greppel; welk feit zich blijkens het bijschrift heeft voorgedaan op 2 November 1927. De auto is voor een aficionado als ik onmiddellijk herkenbaar als een Packard Straight Eight; hij behoorde toe aan Mr. H.J. Bool, een naam bekend bij iedereen die in het vooroorlogse Medan de weg weet, wegens de naar hem genoemde straat (Boolweg). Op een van de foto's is te zien dat de oude Bool het er heelhuids heeft afgebracht; hij was de schrijver van werken over de Chinese immigranten en de arbeidswetgeving op de oostkust van Sumatra aan het begin van de eeuw. Leunend over de zijkant van zijn Packard staart hij in de lens.

De late jaren twintig! De voornaamste tabaksmaatschappijen bestaan vijftig jaar (de Deli-Maatschappij zestig) en geven gedenkboeken uit. In het eerste oogstjaar, 1864, bedroeg de opbrengst vijftig pakken, in 1871 waren het er 4000; in dat jaar werd bijna een miljoen gulden omgezet, in 1880 elf millioen en aan het begin van de Eerste Wereldoorlog al bijna 65.

Vandaar De millioenen uit Deli van J. van den Brand, het boek waarmee in 1902 een tipje werd opgelicht van de sluier die op geen foto te zien is, maar waar niet aan valt te ontkomen. Ook op de tentoonstelling zijn het alleen de bijschriften die verwijzen naar wat er achter de schermen gebeurde; de foto's, het filmpje dat op een videoscherm te zien is, tonen smetteloze emplacementen, propere koelieverblijven, schone hospitalen, ordelijke tabaksplantages met nijvere werkkrachten, een keurig schooltje voor de koeliekinderen, ja zelfs een fraai verblijf waar oudere of arbeidsongeschikte koelies die niet naar hun geboorteland terug willen een rustige levensavond kunnen doorbrengen. En natuurlijk het groots dat werd verricht: de primitieve omstandigheden waarin wegen en spoorlijnen werden aangelegd, bruggen en huizen gebouwd en de hele rest. De harde werkers in witte pakken, tropenhelmen. Het officiële beeld, zoals het werd geschilderd in de gedenkboeken en in publikaties als De aarde van Deli van Willem Brandt.

Obscuur

De harde realiteit die werd beschreven in obscure boekjes en pamfletten, en ongepubliceerde documenten als het Rhemrev-rapport, werd jarenlang eenvoudig ontkend, in de tweede kamer belachelijk gemaakt en in de geschiedschrijving vermeden als iets waarover in beschaafd gezelschap niet wordt gesproken. En deze polarisatie bestaat eigenlijk nog steeds. Jacob Vredenbrecht heeft verteld¹ hoe zijn doctoraalscriptie over de Deliplantages, gebaseerd op de rapporten van de Arbeidsinspectie, “consternatie veroorzaakte bij de betrokken hoogleraar in Leiden. Hij zei eerst: "Dit was veel te emotioneel, want zoiets kon toch niet waar zijn. Nee, dit was onmogelijk.' Ik antwoordde hem: maar de feiten zijn deze rapporten, dat is de realiteit. (-) Weer een ander zei, dat mijn scriptie nog niet "rijp" was. Dat was Nederland, begin jaren zestig!”

Het enige moderne Nederlandse werk waarin de werkelijkheid van de Deliplantages grondig en volledig wordt beschreven is Koelies, planters en koloniale politiek van Breman, waarvan dit jaar een uitgebreide derde druk is verschenen.² Toen dit boek in 1987 verscheen werden weer dezelfde bezwaren gehoord: "te emotioneel', niet "rijp'; het rijpe en niet-emotionele alternatief is blijkbaar er over te zwijgen.

Overigens is ook uit de foto's bij nadere beschouwing toch wel iets af te leiden over de werkelijke verhoudingen, zoals dat ook mogelijk is aan de hand van de officiële literatuur uit die tijd, die noodgedwongen of uit onbewuste naïveteit allerlei vragen beantwoordt die een eerlijk en verstandig mens zich wel moet stellen. Bij voorbeeld de omschrijving van weggelopen koelies als "deserteurs', waarover Van den Brand in 1902 al opmerkte dat dit woord in de civiele wereld alleen op verhoudingen van slavernij van toepassing kan zijn.

Deserteurs

Een indrukwekkende selectie van oude foto's uit dezelfde bronnen, waaronder enkele die ook op de tentoonstelling hangen, zijn door Breman als illustraties in zijn boek gebruikt en winnen in die context duidelijk aan betekenis. Helaas zijn de onderschriften zwak en soms, het is niet te ontkennen, wat tendentieus. Zo wordt een foto van drie met speren en een klewang gewapende Bataks in Bremans boek (blz. 196) ondertiteld met "Lokale tribalen die jacht op deserteurs maken'. Zoals bij de meeste opgenomen foto's ontbreekt de datum, de herkomst en de naam van de fotograaf. Deze foto is van F. Feilberg, die in 1870 een tocht door de onbekende binnenlanden van Sumatra maakte, en stelt drie Bataks in oorlogstooi voor; de foto werd dus genomen op een tijdstip waarop van het werven van "lokale tribalen' om jacht te maken op "deserteurs' nog nauwelijks sprake kan zijn geweest. Dat er later zulke jachten werden georganiseerd is overigens juist.

Enkele foto's in Bremans boek zijn afkomstig uit De tabakscultuur in Deli.³ Dit boek bevat een opmerkelijke serie foto's van hetzelfde stuk grond dat van oerwoud in tabaksaanplant verandert (terrein schoongekapt, gedraineerd, weg aangelegd, brug geslagen, droogschuur en koeliewoningen gebouwd, tabak geplant...); andere heb ik teruggevonden in het Album der Amsterdam-Deli Compagnie (ca. 1900), met foto's van Kleingrothe.

C.J. Kleingrothe had van 1901 tot 1924 een vestiging in Medan en veel foto's van tabaksplantages zijn van zijn atelier afkomstig. De eerste Europese fotograaf die zich op Sumatra vestigde (1888) was G.R. Lambert, bijgestaan door H. Stafhell, die later bij Kleingrothe in dienst kwam; ook H. Ernst heeft met Kleingrothe gewerkt. Andere grote namen zijn C.B. Nieuwenhuis, die in 1901 meeging met een veldtocht van Van Heutsz in Atjeh en later veel Deliplantages fotografeerde, J.W. Meyster, die van 1919 tot de Japanse inval een atelier had in Medan, en G.A.R. Dittmann die vanaf 1901 werkte in het Asahanse, van wie helaas weinig foto's bewaard zijn gebleven. Deze informatie is onder andere te vinden in het prachtige Sumatra van Louis Zweers.&sup4;

1. Kees Snoek, "Een steentje over de vijver', in Liber amicorum Jacob Vredenbregt. Uitg. R.U. Leiden 1991.

2. Jan Breman, Koelies, planters en koloniale politiek. Het arbeidsregime op de grootlandbouwondernemingen aan Sumatra's oostkust in het begin van de twintigste eeuw. Met de teksten van De millioenen uit Deli en het Rhemrev-rapport. Derde, herziene druk. Uitg. KITLV Leiden 1992.

3. De tabakscultuur in Deli. Met platen en plattegronden; zonder vermelding van auteur, Amsterdam 1889. De auteur was naar het schijnt G.E. Haarsma, maar Bremans foto's zijn ontleend aan een uitgave van 1901, ook bij J.H. de Bussy, door W. Westerman.

4. Louis Zweers, Sumatra, Kolonialen, Koelies en Krijgers. Uitg. Fibula/Unieboek 1988.

    • Rudy Kousbroek