Nobelprijs vrede voor Rigoberta Menchú

OSLO, 16 OKT. De Nobelprijs voor de vrede is vanochtend toegekend aan Rigoberta Menchú uit Guatemala, wegens haar “inspanningen voor de sociale gerechtigheid en de verzoening van verschillende etnische groepen” in haar land.

De 33-jarige Quiché-Indiaanse leeft sinds 1981 in ballingschap in Mexico en is mede-oprichtster van een front van oppositiepartijen in Guatemala. Zij leidt het Comité voor boereneenheid (CUC), dat zich beijvert voor de rechten van de Indiaanse gemeenschap. Aan de prijs is een geldbedrag van 6,5 miljoen Zweedse kronen verbonden (bijna twee miljoen gulden).

De afgelopen weken werd zij herhaaldelijk genoemd als kandidate voor de prijs, waarvan de bekendmaking samenvalt met de herdenking van de komst van Columbus, vijfhonderd jaar geleden. Menchú, een van de jongste Nobelprijswinnaars uit de geschiedenis, heeft gezegd de prijs te zien als “de erkenning van de strijd voor echte vrijheid voor alle Indiaanse volken en zwarten van Amerika”. De inheemse volken van het Amerikaanse continent beschouwen "1492' als het begin van een tijdperk dat vooral uitbuiting, armoede, ziektes en culturele onderdrukking heeft gebracht. Ook na het koloniale tijdperk is in veel Latijns-Amerikaanse landen geen einde gekomen aan de onderdrukking van inheemse volkeren.

Menchú verloor haar gehele familie tijdens de burgeroorlog die nog steeds in Guatemala woedt. Het aantal doden wordt geschat op 100.000, van wie het merendeel behoort tot de inheemse gemeenschap van Guatemala.

Volgens organisaties voor de mensenrechten zoals Amnesty International zijn de afgelopen dertig jaar tevens 40.000 Guatemalteken verdwenen. Guatemala telt zo'n miljoen ontheemden - van wie tachtig procent Indianen - op een bevolking van zo'n negen miljoen. Zo'n 200.000 Guatemalteken zijn hun land ontvlucht.

Pag 5: Indianen Guatemala delen een triest lot

Rigoberta Menchú werd in 1959 geboren in een familie van Quiché-Maya's in het bergdistrict El Quiché en groeide op met het daglonerswerk op de katoenplantages aan de kust, dat veel indianen het grootste deel van het jaar doen. Later werkte zij als bediende in een rijke familie in Guatemala-Stad, naar eigen zeggen “om de taal van de onderdrukkers te leren”.

In 1983 publiceerde zij het boek Ik, Roberta, dat inmiddels in tien talen is vertaald en dat grote aandacht trok, om de wreedheden die zij daarin beschreef. Zij beschreef daarin onder meer hoe haar grootouders werden vermoord door militairen, hoe haar vader werd verbrand toen hij met enkele andere boeren de Spaanse ambassade bezette, hoe haar moeder door militairen werd gemarteld, verkracht en vervolgens gedood en hoe zijzelf ondervoed raakte en gedwongen werd tot seks met de zoon des huizes. Kern van haar betoog is dat dit lot voor inheemse Guatemalteken niets bijzonders is.

Menchú is lid van een werkgroep van de VN voor inheemse volkeren en was de eerste indiaanse die de VN toesprak. De VN heeft 1993 uitgeroepen tot het jaar van de inheemse volkeren.

Menchú noemt zichzelf “een revolutionair christen”. “Wij kunnen veel vergeven, maar wij moeten niets vergeten”, aldus Menchú in een redevoering. Ondanks haar internationale erkenning wordt zij in eigen land door de gevestigde macht als outcast beschouwd; tijdens de sporadische bezoeken aan Guatemala - vorig jaar onder meer, in het gezelschap van de Franse presidentsvrouw Danielle Mitterrand - ontving zij talloze doodsbedreigingen.

Maar de laatste jaren zou tevens sprake zijn van een veranderend klimaat. Zo noemdse de Guatemalteekse columnist Carlos Rafael Soto haar kortgeleden openlijk “de indiaan die tweehonderduizend maal is vermoord in de bergen, het verkrachte indiaanse meisje, het platgebrande boerenbedrijfje, het lijk dat niemand kan identificeren”.

En hoewel internationale mensenrechtengroeperingen als Amnesty blijven wijzen op de talloze executies door paramilitaire doodseskaders, de uitroeiingscampagnes door het leger op het platteland en het geweld tegen zwerfkinderen in de grote steden, putten anderen hoop uit de vredesonderhandelingen tussen de regering van de conservatieve president Jorge Serrano en de linkse rebellen van het UNRG, die thans in Mexico-Stad worden gehouden. Serrano, die zichzelf beschouwt als een “evangelist”, houdt vol dat hij de macht van het leger zal weten in te perken, waardoor een akkoord zoals in El Salvador binnen handbereik kan komen.

Menchú, de linkse oppositie en onafhankelijke waarnemers menen echter dat de conservatieve krachten in de Guatemalteekse samenleving dat tot elke prijs zullen willen voorkomen. Maandagavond ontplofte in Guatemala-Stad een bom bij het kantoor van Guatemala's oudste organisatie voor de mensenrechten.

Waarnemers menen dat het Nobelcomité bijzondere redenen heeft om juist Menchú de prijs te geven. Enkele maanden geleden zorgde de Noorse consul in Guatemala-Stad voor grote opwinding in Noorwegen nadat hij het optreden van de militairen had gerechtvaardigd.

De Nobelprijs voor de Vrede is dit jaar opnieuw toegekend aan een vrouwelijke oppositionele politicus. Vorig jaar werd de Birmese oppositieleider Aung San Suu Kyi bekroond, die zich inspant voor beeindiging van het militaire bewind in Birma. Zij leeft thans nog onder huisarrest in Rangoon.