Liefde voor Europa bekoelt in Kamer; "Premier bezig dertig jaar Europa-beleid op zijn rug te leggen'

DEN HAAG, 16 OKT. De schrik van de Deense en Franse referenda over het verdrag van Maastricht waarde deze week door de Tweede Kamer. Geen warme belijdenissen en bevlogen pleidooien meer tijdens de algemene beschouwingen voor het grote ideaal van de Europese eenheid. In plaats daarvan een minister-president die ineens het nationale parlement in het Europa van de toekomst een “hele grote rol” toeschreef en die naderhand de toezegging deed dat het Nederlandse parlement zich te zijner tijd nog één keer kan uitspreken over het kernstuk van "Maastricht', de monetaire unie waarbij de gulden definitief verdwijnt in een Europese munt.

Aan dat laatste ging een langdurig en gedetailleerd debat vooraf, waarin naast Lubbers de VVD'er Bolkestein een hoofdrol speelde, maar waarin ook Van Mierlo (D66) meehielp de premier onder druk te houden en waarvoor de instrumenten waren aangereikt door de financieel specialist van de PvdA, Melkert. De toezegging die de Bondsdag daarover vorige week van de Duitse regering kreeg, stond model.

Ook in Duitsland is op dit moment een discussie gaande over de vraag in hoeverre de toezegging van de ministers Kinkel (buitenlandse zaken) en Waigel (financiën) een soort van uitstapclausule is of niet. Geen Bondsregering, zei minister Kinkel op 8 oktober in de Bondsdag, “zal besluiten van een dergelijke draagdwijdte voor ons volk kunnen nemen zonder rugdekking door de perlementaire meerderheid”. Zijn collega Waigel bevestigde die opvatting, voegde er echter aan toe dat dit “geen tweede ratificatie of een opt-out clausule is.

Bolkestein had in eerste termijn om een "uitstapclausule' gevraagd, de mogelijkheid om, voordat deze monetaire unie uiterlijk 1999 in werking treedt, als Tweede Kamer nog een keer "ja' of "nee' te kunnen zeggen. Tijdens het debat gisteren schakelde hij over op de formule van Melkert, die om “dezelfde rechten als de Bondsdag” had gevraagd. Toen Bolkestein die toezegging van Lubbers binnen had, legde hij die echter toch weer uit als een “feitelijke uitstapclausule”.

Lubbers vond dat “heel onzuiver”. Hij had slechts toegezegd, zei hij, dat “ministers in de toekomst, betrokken bij besluitvorming in Brussel, niet zullen handelen dan in overeenstemming met de opvatting van het Nederlands parlement”. En dat, zei hij, “is iets wezenlijk anders dan opt-out”. Het is alleen al daarom geen "opt-out', aldus Lubbers, omdat als in 1997 of 1999 de EG-ministers van financiën en vervolgens de Europese top vaststellen dat Nederland aan de gestelde criteria voldoet, “er geen uitweg meer is”.

Ondanks de pogingen van Lubbers om te voorkomen dat een belangrijk onderdeel van het verdrag over de monetaire en politieke unie al vóór ratificatie door de Staten-Generaal op lossen schroeven wordt gezet, kreeg "Europa' als geheel een tamelijk koele behandeling in de Kamer. Lubbers legde, nu veel burgers van de EG-landen aarzelend zijn geworden over de noodzaak van voortgaande integratie, duidelijk de nadruk op de punten uit het verdrag die de landen scheidt en minder wat hen bindt.

Lubbers nam daarbij keer op keer voorproefjes op de "interpretatieve verklaring' over "Maastricht', waar de EG-top vanavond in Birmingham mee zal komen. Ook in die interpretatie moet de nadruk liggen op hetgeen de lidstaten allemaal nog voor souvereine rechten overhouden, op wat het verdrag allemaal niét is. Maastricht is als het ware de godheid, Birmingham zijn profeet.

Hogepriester Lubbers deed in de Kamer bovendien uitspraken, die de Europa-lobby in het land met enige schrik zullen aanhoren, zoals zijn hiervoor aangehaalde uitspraak over de blijvende "hele grote' rol van het nationale parlement in het Europa van de toekomst. Het is natuurlijk prachtig om alles samen te doen, zei Lubbers, maar het in het verdrag van Maastricht genoemde begrip "subsidiariteit' definieerde hij daarbij als volgt: “alleen dan op het niveau van Europa als het daar beter gebeurt”.

De bewijslast dat iets echt en onontkoombaar op Europees niveau behandeld moet worden, “ligt dus eigenlijk op het hogere niveau”. De premier kwam daarmee direct tegemoet aan PvdA-fractieleider Wöltgens, die deze “omgekeerde bewijslast” had geëist. “De premier is bezig dertig jaar Nederlands Europa-beleid op z'n rug te leggen”, sprak een diplomaat, die het debat volgde, somber.

Maar er kwam nóg meer. Op een vraag van GPV-fractieleider Schutte of de regering nog wel streeft naar een federaal Europa of dat er rond Maastricht “het een en ander is veranderd en dat het ook wat dat betreft nog alle kanten uit kan”, kwam een onthullend antwoord van de premier: “Dat laatste.” De Nederlandse regering, die vorig jaar in het ontwerp-verdrag voor Maastricht zélf nog het federaal Europa als ideaal in de preambule zette, heeft dat idee blijkbaar verlaten.

De boodschap van de regering aan het parlement was dus: als "Brussel' voortaan iets wil, moet het maar bewijzen waarom. En dat was nog niet alles. Daartoe uitgedaagd door Van Mierlo zette de premier uiteen dat het initiatiefrecht van de Europese Commissie een soort voorfase krijgt. Zelfs een voornemen van de Commissie moet al aan de ministers en daarmee aan de nationale parlementen worden voorgelegd. De fractievoorzitter van D66 doopte dat ironisch de “nul-de fase” en vroeg zich bezorgd af of er nu bij ieder mogelijk initiatief van de Europese Commissie een parlementair debat in de Tweede Kamer komt.

Het antwoord van de premier was samengevat: in principe, ja. De Kamer moet, aldus Lubbers, bij bepaalde onderwerpen kunnen zeggen: “Luister eens even, waar gaat dit over? Wij willen hierover spreken. Ik vind dat dat moet kunnen.” Van Mierlo: “Dat is een behoorlijke uitbreiding van het werk van iedereen. Wij moeten daar niet tegenop zien, maar toch.” Lubbers: “Ik stel het democratisch Europa voorop.”

Het was in elk geval een "opting-out' uit de jarenlange gewoonte bij veruit de meeste politici rond het Binnenhof om met betrekking tot de Europese integratie op de automatische piloot te schakelen. Nu het ingeperkt moet worden, leeft "Europa' meer dan ooit.

    • Rob Meines