Koopman van Venetië

In het artikel "Een pond christenvlees voor drieduizend dukaten' in het CS van 2 oktober trekt Kester Freriks een vergelijking tussen Shakespeares Koopman van Venetië en Fassbinders Het vuil, de stad en de dood.

Het verrassende was voor mij niet de vergelijking (waarvan Freriks zelf de betrekkelijkheid aangeeft), maar iets anders. Dit is waarschijnlijk het eerste artikel dat ooit over De koopman van Venetië is geschreven zonder de beroemde passage waarin Shylock zich verdedigt (derde bedrijf, eerste toneel: "Ik ben een jood. Heeft een jood geen ogen...') ook maar te noemen. Dit is daarom zo opmerkelijk omdat deze scène altijd de meeste aandacht heeft getrokken.

In de vooroorlogse opvoeringen (toen het begrip antisemitisme nog niet de lading had die het na de Tweede Wereldoorlog kreeg) viel de nadruk zozeer op de rol van Shylock dat men veelal de opvoering liet eindigen bij de rechtszitting waarin deze voor het laatst optreedt en de rest van het stuk eenvoudig wegliet. Als men zich al de vraag wil stellen of het stuk van Shakespeare antisemitische tendensen vertoont, kan men de genoemde passage onmogelijk negeren. Deze rede van Shylock is opmerkelijk genoeg: geheel in strijd met de gevestigde opvattingen binnen de Elizabethaanse (christelijke) wereld waarvan Shakespeare toch deel uitmaakte wordt hier niet volstaan met een sjabloon van de jood zoals deze ongetwijfeld in die wereld opgang deed. Geheel in de lijn van Shakespeare om ook de grootste schurk zijn verdediging te gunnen, zodat diens handelen voor de toeschouwer invoelbaar wordt, past hij ditzelfde procédé ook in De koopman toe.

Dit is immers de grote kracht van Shakespeare: voor de uiteenlopende en op elkaar botsende belangen kan de toeschouwer begrip opbrengen waardoor het drama zijn werking krijgt. Het unieke van Shakespeare is dan nog eens dat hij die verschillende standpunten in formuleringen weet te vatten die ongeëvenaard zijn. De verdedigingsrede van Shylock kan men onmogelijk buiten beschouwing laten als men zich waagt aan de vraag die Kester Freriks zich stelt. Want ook als men nu deze passage overleest kan men niet anders constateren dan dat ook hier Shakespeare weer met kop en schouders uitsteekt boven al hetgeen in zijn tijd (en eeuwen daarna) geschreven is.

    • B. van der Goen