In de schaduw van het voorlezen; Het boek in de beeldende kunst

Wat hebben we in Nederland toch met boeken in de beeldende kunst, en vooral met het boek der boeken? In Haarlem werd zaterdag een expositie over dit onderwerp geopend. Jan Wolkers hield onderstaande lezing, waarin hij enkele jeugdherinneringen ophaalt. “Mijn huisgenoten waren wel bereid om voor een portret te poseren mits ze ondertussen de tijd met lezen mochten korten. Vandaar dat de personages die ik toen tekende meestal met gebogen hoofd vereeuwigd zijn.”

Tentoonstelling: In het licht van het lezen, de rol van het boek in de beeldende kunst. T/m 10 januari in Frans Halsmuseum in Haarlem. Geopend maandag t/m zaterdag 11-17 uur, zondag 13-17 uur.

In het Licht van het Lezen was in mijn prille kindertijd, zoals dat in iedere jeugd het geval zal zijn, in het licht van het voorlezen. Je had vooralsnog je oren maar te gebruiken, tenminste als je geen wonderkind was zoals Hugo de Groot, die nog vochtig van het vruchtwater al met de gynaecoloog in discussie schijnt te zijn getreden over De Orator van Cicero terwijl hij ondertussen met zijn kleine verse vingertjes de plaats aanwees waarvan hij dacht dat daar het best de funiculus umbilicalis afgebonden kon worden.

In een calvinistisch gezin zoals het onze kwam je niet met je moeder enigszins besmuikt met een boekje in een hoekje te zitten. Je werd niet ondergedompeld in de weeë wereld van Ot en Sien. Alhoewel, in nog geen honderd jaar kunnen die suikerzoete teksten, mede door de openhartigheid waarmee tegenwoordig in de kranten over de perversiteiten van schijnbaar achtenswaardige burgers wordt geschreven, in een vreemd daglicht komen te staan.

"Toe maar, grootmoeder. Doet u 't maar,' fluistert Trui.

En Ot zegt het zo zachtjes: "Grootvader, doet u het?'

En grootvader en grootmoeder doen het! Ze kleden ze niet alleen uit, maar ze brengen ze nog naar bed ook. En Trui en Ot, die twee rakkers, hebben plezier. Maar grootvader en grootmoeder ook.

Binnen een eeuw, u ziet het, kunnen de nobele pedagogische verhalen van Jan Ligthart aan het ziekelijk brein ontsproten lijken van de verderfelijke markies uit Charenton.

In het gereformeerde gezin was het voorlezen, het voorlezen na het eten uit de bijbel natuurlijk, een paternalistische aangelegenheid. De enkele keren dat mijn vader niet aanwezig was, werd er niet voorgelezen. We hadden dan het gevoel dat we na de maaltijd kaal ons weegs gingen. Alsof we een kuiltje met jus in onze stamppot gemist hadden. Het idee dat mijn moeder het zware zwarte boekwerk ter hand zou nemen, zou even verbijsterend geweest zijn als wanneer ik haar achter de scheerspiegel van mijn vader zou hebben aangetroffen terwijl ze zich inzeepte. En dat voorlezen ging allerminst als in het gedicht De Wolken van Nijhoff, waarin de wonderen woord werden en verder dreven, nee, de woorden werden beeld en ze dreven ook niet verder. En werden in je geest geëtst met het zuur der religieuze zekerheid. Met enig gevoel voor overdrijving zou men kunnen zeggen, dat nog voor de jaren dertig goed en wel een aanvang hadden genomen er in ons gezin driemaal per dag na de maaltijd al televisie was. Terwijl ik luisterde naar de stem van mijn vader staarde ik naar de muur boven het dressoir, waarop luttele decennia later inderdaad de Match-Line der eeuwigheid zou verschijnen, en zag, vooralsnog dus ongekaderd, hoererij en heiligheid, incest en wreedheid, wijsheid en diepe verdorvenheid, offeranden en slachtpartijen, in kleuren sprankelend als een dia, aan mijn geestesoog voorbijtrekken. Een bijkans never ending serie met evenveel afleveringen als de bijbel hoofdstukken telde. Een serie met de gekwelde zoon van God als Singing Detective, het ecce homo der ontvelde menselijkheid, en Mark Finney als het kwaad dat rondwaart, al opereerde hij toen onder een andere naam. Jacob of David of Judas.

Toen ik zelf ging tekenen en schilderen speelde het boek meteen een belangrijke rol in mijn werk. Echter niet zoals bij de opzet van deze tentoonstelling bedoeld is maar op een nogal merkwaardige manier. Mijn huisgenoten waren wel bereid om voor een portret te poseren mits ze ondertussen de tijd met lezen mochten korten. Vandaar dat de personages die ik toen tekende meestal met gebogen hoofd vereeuwigd zijn. Men had mij gerust in die periode, in navolging van De Schilder van de Vrouwelijke halffiguren, de schilder van de geknakte hoofden kunnen noemen. En van lezen kwam voorlezen, want als ze toch bezig waren, waarom dan niet hardop. En terwijl Orellana door schermen van insekten en giftige pijlen de Amazone ontdekte of Roald Amundsen in het noordpoolijs vast kwam te zitten vervolgde ik mijn poolreis in krijt of houtskool over het sneeuwwitte papier. En later, toen ik op de akademie studeerde en in de weekeinden vaak naar model op mijn atelier werkte, ontzag ik de tot op de draad ontklede wezens niet om poserend als Venus of Juno voor te lezen zodat hun perzikzachte huid maar al te vaak geschramd werd door de stugge bladzijden van het boek. En door de jaren heen was ik zo toegespitst op dat voorlezen, dat ik mijzelf een keer tegen een meisje hoorde zeggen dat de volgende dag zou komen poseren en zich nog even wilde laten bekijken of ze daar wel geschikt voor was: "Houd je kleren maar aan, Suzanne. Ik hoor dat het in orde is.' Want ze had een lieflijke en duidelijke stem en dat was belangrijker voor mij dan haar eventuele frivoliteiten of stevig uit de klei getrokken beeldhouwerskuiten.

Behalve wat loodzware vanitasstillevens met folianten en schedels die ik in het laatste oorlogsjaar op de Leidse Schildersakademie schilderde, heb ik me maar één keer bezondigd aan een stilleven waarin de rol van het boek in de beeldende kunst onmiskenbaar is. Dat was niet lang na de oorlog toen ik was afgekeurd om als oorlogsvrijwilliger in de Oost te dienen en uit dépit een stilleven maakte met een overdadig boeket stroperig rijpe vlierbessen waaruit soms sap droop dat de ondergrond plekte als geronnen bloed en ervoor de mooie gele Albatros-uitgave A Farewell to Arms van Ernest Hemingway.

Wat hebben wij in Nederland toch met boeken in de beeldende kunst en vooral met het boek der boeken. Op deze prachtige tentoonstelling, die lezen en kijken tegelijk is, duiken ze overal op, de heiligen en halve heiligen, de moralistische mensenkwellers en overgeprogrammeerde betweters, met de bijbel en hun godsdienstige traktaten bijkans in de aanslag, schraal geschilderd zodat je ze dun kan schillen, met gezichten bleek van de bedompte bekrompen gelijkhebberij, zoals op het schilderij 't Licht is op den kandelaer gesteld. De liefde die alle verstand te boven gaat is ver te zoeken bij die in duffelse kledij gedoken vreugdeloze apologeten, waarvan sommigen nog rieken naar de satanische smook van de brandstapels die ze voor hun andersdenkende medemensen hebben opgericht. En je denkt onwillekeurig als je dat stel ongezonde wereldverbeteraars ziet, één zwaai met de goddelijke gouden haarwrong van de Venus van Botticelli en ze liggen ontmand ter aarde in al hun waanwijsheid. Ze duiken zelfs met zwaard en geschrift op, de bemoeizieke zieleherders, uit de woelige baren van het schilderij Het schip der kerk. En het is geen vroomheid of wijsheid die hen bezielt maar schrille gelijkhebberij, die ze elkaar bleek van drift toegillen in tot op het bot afgekloven bijbelteksten. Over de genadeleer, de heilige triniteit, of de slang in het paradijs gesproken heeft of niet. De slang heeft altijd wel wat te zeggen maar het schijnt niet in de hoofden van de godgeleerden op te komen dat ook de bloem een taal spreekt.

Het boeiende van deze tentoonstelling is dat schoonheid en anekdotiek aardig met elkaar in evenwicht zijn. Er zijn schilderijen en prenten aanwezig waar je gewoonlijk bij een museumbezoek weinig aandacht aan zou schenken, op jacht als je bent naar het licht van Vermeer of de roerigheid van Frans Hals, maar die je hier, in het kader van deze tentoonstelling uitvoerig bestudeert. Zoals bijvoorbeeld het schilderij van Willem Bartel van der Kooi Vaders Vreugd. Het is in 1816 geschilderd, als Edgar Allan Poe net de peutertijd ontgroeid is, John Keats zijn naam in water schrijft en het echtpaar Douwes Dekker oefeningen onderneemt voor de conceptie van een genie. Niets van die opwindende buitenwereld trilt er in dit muffe genrestukje door. Een schooljongen, een zalvend etterbakje, biedt zijn vader een boekje aan, een "eere-prys' die hij op school door ijver en voorbeeldig gedrag heeft gewonnen. De gedweeë puppyblik waarmee hij de verwekker van zijn braafheid aankijkt doet vermoeden dat hij wel een kluifvette aai over zijn bolletje verwacht, terwijl zijn oude heer in alle tevredenheid schijnt te overdenken dat zijn nazaatje ferm op weg is om een ordentelijk lid van de maatschappij te worden en het misschien wel tot burgemeester van een middelgrote gemeente kan brengen.

Het heeft ook een bijzondere charme om van meesterwerk naar rariteit te dwalen en vice versa. Want zo sta je voor een theedoos in de vorm van een stapel boeken die op de rug getiteld zijn "Magazijn der Joffers' - en onze perfide moderne fantasie vermoedt niet alleen Lapsang Suchong en Darjeeling als genotmiddel in de geheime laatjes - of je krijgt een meesterlijk schilderij van Pieter Fransz Grebber onder ogen. Een moeder met een borstzuigend kind, maar zo trefzeker geschilderd dat een begenadigd kunstenaar uit Delft er nog maar een strooiseltje lichttoetsen op zou hoeven aan te brengen om er een Vermeer van te maken. In de catalogus staat bij de reproduktie van het werk een deugdzaam tafereeltje. Dit mag wel enigszins in twijfel getrokken worden. Inderdaad leest de moeder met vrome aandacht in een psalterium, maar het jongetje, dat eigenlijk iets te oud is voor een tietzuigertje, maar het zij hem vergeven, ik weet uit eigen ervaring dat je het zo lang mogelijk probeert vol te houden, of eigenlijk leeg te zuigen, dat kijkt met een zekere argwaan naar iemand die net binnen schijnt te zijn gekomen. En wij, die een paar eeuwen later leven weten maar al te goed dat die persoon niemand anders kan zijn dan een Weense geleerde die, enigszins gehinderd door de geur van zog en luiersmet, een boekje ter hand neemt en naar het leven wat aantekeningen maakt over het Oedipuscomplex.

Kamergemak

Zo bewonder je een ets van Rembrandt van Jan Six verzonken in een boekwerk en in ritselend duister gehuld van de etsnaald en je hoort hem lezen: Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen/ De schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen/ Met arbeid avondwaarts. Uw afzijn valt te bang., of je wordt in alle gruwelijke platvloersheid geconfronteerd met een zogenaamd kamergemak, een salonpleetje voor hoge nood in de vorm van een tafeltje met boekwerken erop die, alsof het zo al niet de spuigaten uitloopt, als titel hebben Les Mystères de Paris van Eugène Sue. Le Ventre de Paris zou wel meer de lading gedekt hebben, maar dat was toen nog niet door Emile Zola geschreven. Schijnliteratuur waarbij je de pot op kan. De geur van lang verstorven excrementen lijkt er als een waas omheen te hangen.

Om de ruim honderd schilderijen, beeldhouwwerken, etsen, gravures, foto's en bizarre voorwerpen te bewonderen zult u ogen om te lezen en ogen om te kijken te kort komen. Er is echter een kunstwerk op de tentoonstelling aanwezig waarbij niets te lezen valt hoewel het een boek is. In het licht van het lezen moet wel in het licht van het kijken worden bij een schriftloos boek, in het licht van de verwondering en de bewondering. Ongetwijfeld is het hoogtepunt van deze tentoonstelling, dit ijzeren boek van Carel Visser. Voor het geconcipieerd was moeten de woorden zich al losgezongen hebben van hun betekenissen. Het ligt daar met zijn metalen vlerken als de zojuist gelande verbeelding die, tegen de wetten van de zwaartekracht in, weer met ons omhoog kan vliegen tot ver boven de stratosfeer waar woorden te kort schieten. Het ware boek der boeken.

    • Jan Wolkers