Iedere ochtend, 31 jaar lang, de geslachtsdaad; De ongewone dagboeken van Robert Musil

Robert Musil, schrijver van De man zonder eigenschappen, had een lage dunk van dagboeken. "Het is de gemakkelijkste literaire vorm, zonder de minste tucht', vond hij. De 25 cahiers waarin Musil tussen 1899 en 1942 aantekeningen maakte, waren dan ook niet voor publikatie bedoeld - ze waren een verzamelplaats voor ideeën, opstellen en uittreksels. Delen van Musils cahiers zijn onlangs in het Nederlands vertaald. “De indruk die bij het lezen ontstaat is dat Musil probeert om de hele wereld te inventariseren.”

Robert Musil: Dagboeken. Vert. Hans Hom. Keuze en nawoord: Ton Naaijkens. Uitg. Meulenhoff, 271 blz. Prijs ƒ 45,-. Duitse editie: Robert Musil, Tagebücher. Uitg. Rowohlt, 1027 blz. Deel II (noten, bijvoegsel, register) 1436 blz. Prijs voor beide delen ƒ 180,- (geb).

"Eigenlijk was Robert Musil maar een autobiograaf van weinig woorden', schreef Adolf Frisé bij het verschijnen van de complete Dagboeken van Robert Musil in 1976 in zijn voorwoord. Musils aantekeningen omvatten niet minder dan 1027 dichtbedrukte pagina's, maar Frisé heeft gelijk. Wanneer Musil in 1930 na een martelgang van tien jaar het eerste deel van De man zonder eigenschappen voltooit, noteert hij die dag niet meer dan: "26 augustus. Dinsdag. Hedenavond het mscrpt van Band 1 afgesloten.' Verder geen tekst. Geen zucht van verlichting bereikt het papier.

Musil had zijn hele leven lang een lage dunk van dagboeken. Al in een van zijn eerste notities, die omstreeks 1899 beginnen, schrijft hij, negentien jaar oud, het genre als literaire vorm te verwerpen: "Het is de gemakkelijkste vorm, zonder de minste tucht. Het is geen kunst. Moet het ook niet zijn.' Zijn dagboek fungeerde voor Musil allereerst als de werkplaats waar ideeën, invallen, opstellen en boekuittreksels genoteerd werden, die later, na eindeloze polijsting, misschien in aanmerking kwamen om als bouwstenen voor een roman te dienen. Hij gebruikte het nauwelijks om persoonlijke lotgevallen te boekstaven, al zijn er enkele pikante uitzonderingen.

Musil, de perfectionist bij uitstek, zou nooit hebben ingestemd met het uitgeven van zijn dagboeken. Vlak na zijn dood in 1942 schreef zijn vrouw Martha in een brief: "Hij zou nooit iets wat onaf was gepubliceerd hebben.' Voor haar eigen dood in 1949 zei Martha nog eens nadrukkelijk tegen haar dochter dat de dagboeken niet voor publikatie bestemd waren. Omdat ze vermoedde dat de menselijke nieuwsgierigheid sterker zou zijn dan het respect voor een overleden schrijver, nam ze bovendien haar voorzorgsmaatregelen: hier en daar maakte ze woorden en zinnen onleesbaar en ongeveer vijftig pagina's scheurde ze er in hun geheel uit. Op twee na zijn die nooit meer teruggevonden.

Musil hield zijn dagboeken op een merkwaardige manier bij. Tussen 1899 en 1942 maakte hij aantekeningen in 25 cahiers van uiteenlopend formaat en dikte, die hij meestal niet dateerde. Dat was ook niet nodig omdat hij ieder schrift zoveel mogelijk aan een bepaald thema wijdde. Op een en dezelfde dag kon hij aantekeningen maken in verschillende cahiers. Zo is nummer 10 gewijd aan de boeken die hij las. Andere schriften bevatten schetsen voor essays, opzetten voor De man zonder eigenschappen, jeugdherinneringen voor een nooit gerealiseerde autobiografische roman, beschouwingen over filosofie, politiek en literatuur of aforismen.

Scalpel

Een opsomming van alle onderwerpen waar Musil zich in zijn dagboeken mee bezig hield, zou meer dan een krantepagina vullen. De indruk die bij het lezen ontstaat is dat Musil probeert om de hele wereld te inventariseren. Of het nu verhandelingen zijn over de cultuur van Homerus tot Thomas Mann, of over sociologie, psychologie, kennistheorie en filosofie, ze dienen allemaal één doel: het scherpen van het scalpel waarmee hij in De man zonder eigenschappen het gedachtengoed van het avondland te lijf gaat.

Waar ter wereld komt men een romanschrijver tegen die voor dit doel het lezen van de volgende boeken noteert: Het systeem van de verkeerseconomie, Marx en Hegel, 1789 en 1914, Van de discontopolitiek tot de heerschappij over de geldmarkt, De filosofische grondslagen van de waarschijnlijkheidsberekening? Net als in zijn magnum opus ontpopt Musil zich in zijn dagboeken tot talloze Musils: de filosofische, de oppositionele, de elitaire, de intellectuele, de erotische. Kortom, een man van alle eigenschappen, die zich zo bewust is van de toevalligheid en de tegenstrijdigheid van die talloze eigenschappen dat hij zichzelf als man zonder eigenschappen ervaart.

Op zoek naar de bewegingswetten van de moderne mens gaat Musil een verhandeling over de erotische relatie tussen een waardin uit Karinthië en haar hond niet uit de weg, hij behandelt uitvoerig de balans tussen het bewuste en het onbewuste, het verschil tussen het Ik en de ziel, en wijdt een lange intellectuele verhandeling aan hetgeen zich in de psyche afspeelt tijdens een orgasme.

In navolging van Nietzsche maakt Musil de chaos en richtingloosheid van de moderne mens tot kernthema van zijn werk. Al in het begin van zijn eerste dagboek noteert hij - negentien jaar oud - in een samenvatting van het werk van Nietzsche het uitgangspunt dat hem een leven lang zal bezighouden: "Het leven woont niet meer in het geheel. (-) Het geheel is geen geheel meer, maar anarchie van de atomen. (-) Overal is verlamming, een gevoel van moeite, verstarring of vijandschap en chaos.' Omdat de zin van het leven zich niet meer laat vangen in een allesomvattende religie of ideologie, moet Musil, om die op het spoor te komen, oneindig veel onderzoeken.

Musil is zich er scherp van bewust dat met de versplintering van het leven tegelijkertijd één samenbindende moraal in duizenden stukjes uiteenspat. De gevolgen daarvan omschrijft hij als volgt: "Mijn moraal is denkelijk altijd de gentlemanmoraal geweest: in het dagelijkse leven onberispelijk, daarboven een hoger immoralisme.' Het is ook precies dit hogere immoralisme, waarmee hij Ulrich uitrust, de hoofdfiguur uit De man zonder eigenschappen.

"Alle figuren in het boek zoeken verlossing, maar vinden slechts ideologie', merkte Musils biograaf Berghahn eens op. Als chroniqueur van het moderne levensgevoel beschrijft Musil, met de ironie als vorm en met de mathematische precisie van een ingenieur - hij voltooide in 1901 zijn ingenieursstudie - de leegte van de ziel.

Baal

Musil zou, zoals bekend, De man zonder eigenschappen nooit voltooien. Hij besteedde de laatste negen jaar van zijn leven onafgebroken aan eindeloze variaties en veranderingen van het laatste gedeelte van deel twee van de roman. Zelfs voor zijn hoofd was de wereld teveel uitgedijd en te chaotisch geworden om haar nog te bevatten. Hij schrijft: "Ik lijk op iemand die een baal die groter is dan hijzelf met een touw wil omwikkelen.' Na 1938 - op de vlucht voor de nazi's in ballingschap in Zwitserland - neemt het somber gepeins in de dagboeken hand over hand toe: "Ik deug nergens voor en bereik niets van betekenis.'

In een van zijn laatste aantekeningen, op zijn verjaardag 6 november 1941 en ruim vijf maanden voor zijn dood, blijkt ook de verhouding met zijn vrouw Martha ten prooi te vallen aan de melancholische gelatenheid die hem aan het einde van zijn leven bevangt.

De geschiedenis van deze pagina kent zijn weerga niet in de literatuurgeschiedenis. Omdat de neergeschreven ontboezemingen zo intiem zijn, besloot Martha de bladzijde eruit te scheuren, net als vijftig andere. Maar in plaats van ook deze te vernietigen, verborg ze hem op ingenieuze wijze. Alsof ze de geschiedenis wilde laten beslissen of hij ooit weer gevonden zou worden.

En de geschiedenis nám een beslissing. In 1980 stierf Gaetano Marcovaldi, Martha's zoon uit een eerder huwelijk. In de nalatenschap bevond zich een mantel van Martha. In de mouwvoering van de mantel vond men de pagina, die Martha er had ingenaaid, samen met een bladzijde uit 1913. De aantekening uit 1913 heeft betrekking op een crisis in het dan twee jaar oude huwelijk, vanwege een vluchtige verhouding van Musil met de actrice Ida Roland - "Haar vagina is voor haar als een trechter, waardoorheen zij af en toe ongeduldig prikkels in zichzelf giet.'

Musil schrijft dat Martha dreigt hem te verlaten en zich van kant te maken als hij geen einde maakt aan zijn escapade.

De tweede bladzijde betreft de bijzondere gewoonte van Robert en Martha om iedere ochtend van hun 31 jaar durende huwelijk de geslachtsdaad te plegen. Op die ochtend van zijn laatste verjaardag bleef die daad echter uit. Misschien was dat een aanleiding voor Musil om er een aantekening over te maken en tegelijkertijd terug te blikken op ruim dertig jaar geslachtsverkeer met zijn vrouw: "Een morgen, vriendelijk, teder zelfs, maar zonder c. [coïtus, CvE] Hoe was het op al die dagen van al die jaren? Hoe stonden de bedden in de kamers? Hoe gebeurde waar als vanzelfsprekend van uitgegaan werd?'

Musil blikt terug en constateert dat er maar weinig details in herinnering zijn gebleven. In totaal komt hij op niet meer dan drie lyrische herinneringen. Hij betreurt het verval van de schoonheid van het vrouwenlichaam en stelt vast dat de tederheid van het latere leven en de saamhorigheid als compensatie dienen. Het valt te begrijpen dat Martha het enigszins ontluisterend vond dat Musil van hun ruim 11000 copulaties er zich nog maar drie echt herinnert. Het siert haar dat ze de aantekening toch het voordeel van het toeval heeft gegeven.

Traditioneel

Van Musils dagboeken is nu ongeveer een vijfde deel in het Nederlands vertaald. Voor wie een zo compleet beeld van de schrijver wil geven, luistert de keuze van de fragmenten in zo'n geval heel nauw. Het lijkt alsof de Nederlandse vertaling deze uitdaging bijna bewust heeft genegeerd. Bij de keuze van de fragmenten ligt de nadruk nu op de schaarse pogingen die Musil ondernam om een traditioneel dagboek te schrijven met de wederwaardigheden van alledag. Kennelijk heeft men zich al bij voorbaat laten afschrikken door het aura van ontoegankelijkheid dat de teksten van Musil omgeeft.

Het gevolg is dat elf cahiers in het geheel niet vertaald zijn, precies de fragmenten waar Musil zijn eigen literaire methode scherpt in uitvoerige beschouwingen over het werk van Tolstoj, Dostojevski, Thomas Mann, Broch en Svevo. Ook zijn beschouwingen over de opzet van De man zonder eigenschappen zijn nagenoeg buiten de vertaling gelaten, alsmede het filosofische fundament van de roman. Alle passages over Musils grote inspirator Friedrich Nietzsche ontbreken. Ten slotte zijn behartenswaardige politieke teksten, onder andere over het Duitsland onder Hitler, niet opgenomen.

Zo slaagt de Nederlandse vertaling erin een verwrongen beeld van Musil te presenteren. Een gemiste kans, te meer omdat de dagboeken uitermate ongeschikt zijn als inleiding tot het werk van Musil. Hun waarde ligt juist in het feit dat de lezer van De man zonder eigenschappen er de achterliggende ideeën en grondslagen van het boek in terugvindt. Wie de roman niet heeft gelezen, zal de dagboeken lezen als een handleiding van een vrij gecompliceerd uurwerkmechanisme, dat hij nog nooit in handen heeft gehad. Terecht heeft men ervoor gekozen deze dagboeken na de vertaling van de roman te laten verschijnen. Maar waarom wordt de lezer nu een geamputeerde Musil gepresenteerd?

In de vertaling wordt nog eens duidelijk dat de belangrijkste kwaliteit van Musils schrijverschap de schoonheid van zijn taal is. Hij schrijft: "Mijn vader was heel helder, mijn moeder was eigenaardig verward. Als nog ongekamd haar boven een mooi gezicht.' Maar waarom wordt het volgende citaat de Nederlandse lezer onthouden: "Twijfelachtig is de situatie van de mens geworden sinds hij zijn beeld niet meer in de spiegel van de beken zoekt, maar in de scherpe breukvlakken van zijn intelligentie.'? Dat is misschien nog het bijzonderste aan Robert Musil: de wijze waarop hij zijn waarnemingen en gedachten formuleerde: met de nauwkeurigheid van de ingenieur, de inhoudelijkheid van de filosoof en de elegantie van de geboren schrijver.

Maarten 't Hart omschreef vorig jaar op de Achterpagina van deze krant De man zonder eigenschappen als een "Oostenrijkse gruwel' zonder ook maar één reden te noemen waarom hij dat vond. Maar 't Hart heeft gelijk. Wie literatuur tot zich wil nemen, onderwijl luisterend naar Bach, kijkend naar de televisie of tijdens het aanschieten van een glitterjurk, die eist van de literatuur dat zij als hapklare brokken geconsumeerd kan worden. Voor die lezer is Musil een te zware kluif. Zowel de man als zijn werk zijn weerbarstig; en in die weerbarstigheid van een grote schoonheid. Op de derde pagina van zijn eerste dagboek omschreef Musil zichzelf precies zoals hij jaren na zijn dood door de wereld gezien zou worden: "Monsieur le vivisecteur: ---ik! Mijn leven: ---De avonturen en dooltochten van een vivisector van de ziel in het begin van de twintigste eeuw!'

    • Chris van Esterik