Het volle leven is in trek; Roman van criminoloog Herman Franke

Herman Franke: Weg van loze dromen. Uitg. Nijgh & Van Ditmar. 246 blz. Prijs ƒ 34,90.

Het is een boek uit het boekje, zou je haast zeggen. Het is eigentijds, actueel, het speelt zich grotendeels af in Amsterdam, maar wil zeker niet alleen een binnenlandse aangelegenheid zijn. Er is volop straatrumoer en kroegleven, seks en drank, en er worden tal van sociologische, filosofische en psychologische observaties in gedaan. Het beschrijft een pikante driehoeksverhouding waarvan het fijne pas na 190 bladzijden onthuld wordt. Ook is het boek rijk aan tegenstellingen, tussen stad en platteland, man en vrouw, chaos en orde, optimisme en pessimisme, tussen ”Ossi' en ”Wessi', individu en collectief, god en mens, verleden en heden. Het is, zo lijkt het althans, met gemak geschreven en laat zich met hetzelfde gemak lezen en het is van alle gezindten: katholiek, gereformeerd, liberaal en socialistisch, terwijl de auteur zelf zich wijselijk boven de partijen stelt.

Wat zou je nog meer verlangen van een boek dat nog een debuut is ook? Maar men voelt het al aankomen, het verraderlijke maar, dat roet in het eten gooit en dat alle eerder gedane beweringen in een iets minder gunstig daglicht plaatst. Wat valt er af te dingen op de roman Weg van loze dromen van de Amsterdamse criminoloog Herman Franke? In elk geval kun je niet zeggen dat hij ouderwets is. In alle opzichten is zijn debuut van deze tijd. Volgens de heersende mode is het bovendien tamelijk fors. Het tijdperk van de zuinige en sobere novellen en kleine romans is voorlopig voorbij. Woorden worden niet meer geteld of al te kritisch gewikt en gewogen, maar royaal over de bladzijden uitgesmeerd. Vaak gaat deze stilistische losheid en breedvoerigheid gelijk op met een bepaald ruimhartige inhoud. Het volle leven is meer in trek dan de nauw begrensde huiskamer, de veelomvattende, overkoepelende visie op het leven meer dan ”het intermenselijk gepiel op de vierkante centimeter' om met Franke te spreken.

Al snel maakt hij duidelijk dat het hier niet alleen om individuele lotgevallen gaat, of alleen om Amsterdam met zijn pillenbrug, drugsdoden en Uitmarkt, maar dat alles in een internationaal licht bezien wordt. ”Het was de herfst die volgde op de herfst waarin de Berlijnse Muur viel', zo klinkt het ietwat dreigend. Het is 1990 en Franke verzuimt niet om dit in politiek opzicht gedenkwaardig jaar kort maar krachtig samen te vatten: ”De Sovjetunie stond op springen na het communistische bal démasqué in Oost-Europa, de Duitse eenwording ging gepaard met politieke straatvechterij op het niveau van raadsdiscussies in plattelandsgemeenten, in Liberia schoten soldaten van diverse legertjes, dronken, stoned en verkleed als goedkope circusartiesten, al wekenlang op alles wat los en vast zat (-) en in het Midden-Oosten was de Iraakse Führer Saddam Hussein (-) dol geworden.'

Toch kan al deze stoere, grensoverschrijdende taal niet verhelen dat het in Weg van loze dromen wel degelijk en voor het leeuwedeel om een Amsterdamse liefdesgeschiedenis draait en om typisch Nederlandse schuld- en boetegevoelens ten gevolge van de zelfmoord van een bedrogen minnaar. De wijsgerige overpeinzingen en politieke terzijdes lijken vooral te dienen om de liefdesperikelen wat meer aan te kleden. Tegelijkertijd zorgt juist al die aankleding ervoor dat de liefde zelf wat in het gedrang komt en dat de ontknoping van het drama, waar Franke wel erg nadrukkelijk naar toe werkt, van een teleurstellend gehalte is.

Franke hinkt dus op twee benen in deze roman, die het zowel van het heel grote, de ”nieuwe wereldorde' als van het heel kleine, het bovengeciteerde ”intermenselijk gepiel' moet hebben, waardoor geen van beide helemaal tot hun recht komen. Hij raakt van alles en nog wat aan, zonder nu werkelijk in mensen, situaties of verschijnselen door te dringen. Een zekere voorliefde heeft hij voor vrijblijvende, sociologische observaties als deze, in populair-wetenschappelijk jargon: ”De terrasjes in het oververhitte Amsterdam kenden elke dag hun eigen publiek, maar vaak was dat een heel ander publiek dan de vorige dag. De samenstelling van het publiek werd 's ochtends bepaald door de eerste bezoekers. Soort zoekt soort. De eerste bezoekers zagen zich al gauw omringd door mensen die qua inkomen, opleiding, bestedingspatroon en misschien zelfs qua politieke voorkeur en morele opvattingen op elkaar leken.'

Zijn hoofdfiguren zijn in zekere zin slachtoffers van Frankes weidse blik, want zij moeten door het leven met weinig opzienbarende karakters. En dus moeten wij het stellen met een ex-gereformeerde filosoof, een ex-katholieke socioloog en een heidense bejaardenverzorgster. Het meest zwartgallige type is uiteraard de filosoof, die zich tijdelijk uit de klauwen van zijn rechtlijnige afkomst heeft weten te bevrijden, maar na het overspel van zijn vriendin, de bejaardenverzorgster, valt hij alsnog terug in een dodelijk pessimisme. Een stuk luchthartiger, hoe kan het anders, is de socioloog, die de vriendin afpikt, maar er later wel veel berouw van krijgt. Ook de vriendin kampt, jaren na de zelfmoord van de filosoof, nog steeds met hevige schuldgevoelens, waar ze wel eens vanaf zou willen. ”Sanne wilde, plat gezegd, op een snelle manier van die klomp steen in haar maag verlost worden.' Sanne en haar tweede minnaar proberen zich, nog iets platter gezegd, te ontdoen van het lijk van de filosoof dat al jaren tussen hen instaat.

Uiteindelijk slagen zij daarin, zodat je van een gelukkig einde kunt spreken. Of deze ”Wiedervereinigung' wel zo rechtstreeks in verband mag worden gebracht met de hereniging van de beide Duitslanden, zoals Franke doet, is natuurlijk de vraag. Ik denk dat er twee reacties mogelijk zijn. De preciezen onder de lezers, met een streng historisch bewustzijn, zullen deze verbinding van onaanzienlijke relatieproblemen met de zoveel dramatischer scheiding der geesten van Oost- en Westduitsers al te hoogmoedig vinden. Maar de rekkelijken, met een relativerender blik op de wereld, putten er mogelijk troost uit. Als twee zeer verschillende Duitslanden zich kunnen herenigen, dan moet iedereen dat kunnen, al zal geen socioloog instaan voor de gevolgen.

Weg van loze dromen is een dubbelzinnige titel. Als je ”weg' leest als ”straat', dan klinkt hij weinig optimistisch, als een weg zonder einde, een leven zonder zin of doel. Maar als je ”weg' als een gebod opvat, als een montere aansporing om vooral niet te verzinken in nutteloos gepeins, dan is er ineens hoop, zij het waarschijnlijk meer op aangenaam ”intermenselijk gepiel' dan op een stralende nieuwe wereldorde.