Ex-rechercheur zwijgt voor rechtbank over moord Hijzelendoorn

UTRECHT, 16 OKT. “Ik heb die man niet doodgeschoten”, was het enige wat ex-rechercheur Martin H. gisteren voor de Utrechtse rechtbank wilde zeggen. H. is eerder deze week door de rechtbank in Amsterdam tot acht jaar gevangenis veroordeeld wegens moord op de Amsterdamse crimineel Klaas Bruinsma. Net als in de Bruinsma-zaak ontkende H. elke betrokkenheid bij de moord op Tony Hijzelendoorn waarvoor hij zich gisteren voor de Utrechtse rechtbank moest verantwoorden. Hijzelendoorn werd op 21 maart van dit jaar vermoord aangetroffen in zijn huis in Wilnis. H. zei “totaal geen vertrouwen” in de politie te hebben.

Zijn advocaat, mr. J. Boone, klaagde dat hij bij voortduring “partiële informatie” kreeg. Tot drie keer toe probeerde hij de zaak te laten terugverwijzen naar de rechter-commissaris. Volgens hem schoof officier van justitie mr. J. Spee in het onderzoek systematisch alles terzijde wat in een andere richting wees dan wat H. verklaarde. Spee ontkende dit. “Er waren allemaal sporen, naar Turken, Joegoslaven, zigeuners, maar die liepen allemaal op niets uit”.

Ook een toezegging om de cassettebandjes te laten horen waarop de voor zijn cliënt belastende verklaring van getuige Steve B. stond werd Boone onthouden. B. had ook in de Bruinsma-zaak een verklaring op tape afgelegd. Die bandjes mochten volgens Spee niet in de openbaarheid komen, omdat er naar zaken verwezen werd die nog onderzocht werden. Evenmin werd Boones verzoek gehonoreerd om een getuige te horen die beweerde dat de moord op Hijzelendoorn in opdracht van Steve B. was gepleegd. De rechtbank, onder voorzitterschap van mr. R. Meertens, meende dat alle zaken waar Boone aan refereerde wel tijdens het proces ter sprake zouden komen.

Als getuigen-deskundigen waren de huisarts - die de dood van het slachtoffer had vastgesteld - en de forensisch patholoog opgeroepen. Zij werden ondervraagd over het tijdstip waarop Hijzelendoorn is overleden zodat kan worden vastgesteld of H. wellicht een alibi heeft.

De forensisch patholoog kon weinig zeggen over het tijdstip waarop de dood waarschijnlijk was ingetreden. De lichaamstemperatuur van het stoffelijk overschot was pas vele uren na de ontdekking ervan door de politie opgemeten. Hij beaamde dat hoe vaker na “lijkvinding” de temperatuur werd gemeten, des te nauwkeuriger het “uur U” gevonden kon worden. Op de vraag waarom zo laat pas de lichaamstemperatuur gemeten werd, en waarom dit slechts twee keer was gebeurd, kon hij geen antwoord geven. “Ik ben pas anderhalf jaar forensisch patholoog. Als klinisch patholoog was die vraag nooit interessant”.

Buiten aanwezigheid van de rechters en de officier was Martin H. wel tot enig commentaar bereid. Hij betoonde zich zeer wantrouwig jegens de politie en zei zelfs geen kop koffie van ze aan te nemen. “Weet jij of ze er rohypnol in doen?” Over de lange duur van de zitting grapte hij: “Ik had gezegd dat ik voor de jongens zou koken, maar dat zit er nu ook niet meer in.” Negen november wordt de zaak voortgezet.