Caoutchouc Orchestra langzaam op gang in Spaans repertoire

Concert: het Caoutchouc Orchestra o.l.v. Niko Langenhuijsen (composities en contrabas) met muziek op teksten van Federico Garcia Lorca. Gehoord: 15/10 BIMhuis, Amsterdam. Verder 20/10 Dizzy, Rotterdam, 22/10 Paradox, Tilburg, 25/10 Kunsthuis 13, Velp.

De orkesten van Niko Langenhuijsen illustreren perfect dat de de jazz- en impro-muziek steeds breder en veelkleuriger wordt, zowel wat geluid als wat uiterlijk betreft. Zag het zijn 1978 opgerichte 'Gemeentereinigingsorkest' Vaalbleek er inderdaad zo uit, in zijn nieuwe Caoutchouc Orchestra worden gekapte haren en fleurige kledij niet meer geschuwd. Dat er in het BIMhuis video-opnamen werden gemaakt om potentiële geïnteresseerden het orkest ook te kunnen laten zien, past bij deze face-lift.

De metamorfose van Langenhuijsens orkest is in fasen gegaan, zo blijkt uit zijn discografie. Bij Caoutchouc, de derde plaat, is het voorvoegsel in de bandnaam verdwenen, en bij Lonely Hearts (1989), heette het orkest Vaalbleek Vokaal. De weg van de 'pure jazz' was verlaten, de band was uitgebreid met een vocaal trio dat teksten zong van poëten als Wendy Cope en Federico Garcia Lorca. Het werk van de laatste en de muziek van de Spaanse componist Ricardo Pachón inspireerden Langenhuijsen dermate dat hij een heel programma met dit Spaanse repertoire samenstelde. Volgende maand verschijnt er een cd van (Caoutchouc plays Lorca) op het nieuwe sublabel RN Discs/Timeless, gisteren klonk het in het BIMhuis.

Misschien doordat er video- en radio-opnamen werden gemaakt, duurde het geruime tijd voor het orkest goed op dreef was. Zowel Romance del Amargo van Pachón als Cançion de la Madre del Amargo, gecomponeerd door Langenhuijsen zelf, klonken onzeker, vooral wat de intonatie betreft. Pas tegen het eind van Tres Historietas del Viento, een suite van een half uur, begon het echt goed te lopen. Een spetterende trompetsolo van Eric Vloeimans zette de toon, waarna Astrid de Wijn het stuk in samenspraak met het orkest warmbloedig naar een einde zong. Na de pauze toonde deze zangeres nog eens haar feeling voor flamenco-zang in Nana del Caballo grande. Zij durft haar mond flink open te doen en beschikt daarnaast over een flink arsenaal aan "volkse' technieken. Het krachtig uitspuwen van resterende lucht is er één van, het kleuren van vocalen door ze tussen keel, mond en neus heen en weer te kaatsen is een andere. Ook Al Oido de una Muchacha met heldere zang van Sylvia de Hartog en briljante flageoletten van saxofonist Paul Stocker klonk zeer overtuigend. Daarna kon het in La Leyenda del Tiempo, waarmee jaren geleden Langenhuijsens 'Spanje-kick' begon, niet meer mis gaan. De vocale groep zong uit volle borst, het orkest stond als een huis.

Blijft de vraag waarom Langenhuijsen zijn orkest Caoutchouc noemt, het Franse woord voor "rubber', en niet "caucho', het Spaanse equivalent. "Caucho plays Lorca', het klinkt zelfs beter. Maar misschien neemt Langenhuijsen in het Spanje-jaar 1992 alvast een voorschot op een nieuw project, "Caoutchouc plays Baudelaire' of zoiets.