VNO-voorzitter creëert nieuwe mythe over ecotax; Met de hele splijtstofcyclus zijn grote veiligheids- en milieurisico's gemoeid; Een misser in het betoog is dat milieuheffing alleen effectief is voor "luxe' goederen

De voorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen, A.H.G. Rinnooy Kan, onderneemt in NRC Handelsblad van 6 oktober een poging om de beweerde mythe over de ecotax uit de wereld te helpen. Helaas creëert hij daarbij een nieuwe mythe.

Rinnooy Kan meent dat Nederland, met het onlangs bij de Kamer ingediende wetsvoorstel voor verbruiksbelastingen op brandstoffen, grondwater en afvalstoffen, voor het eerst sinds honderd jaar bezig is een nieuwe grondslag aan ons belastingsysteem toe te voegen en bovendien dat Nederland dit als enige ter wereld en behoorlijk in het geniep doet. Dit is onjuist. Al sinds jaren bestaat er een brandstofheffing in het kader van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (WABM). De WABM-heffing was tot vorig jaar een algemene bestemmingsheffing met de opbrengst waarvan het milieubeleid diende te worden gefinancierd. Zulke heffingen bestaan ook in Scancinavische landen en in Japan.

Omdat de Tweede Kamer - ingefluisterd door onder andere het VNO - vond dat het milieubeleid niet uit een eigen fonds, maar uit de algemene rijksmiddelen diende te worden gefinancierd, werd eind vorig jaar besloten dat de opbrengst van de brandstofheffing niet meer via de WABM naar het milieubeleid, maar rechtstreeks naar de schatkist zou vloeien. Logischerwijs werd door dit besluit de heffing materieel een (verbruiks)-belasting. Tevens werd besloten de verbruiksbelasting niet meer alleen op brandstoffen te leggen, maar de grondslag uit te breiden tot grondwater en afvalstoffen.

Die uitbreiding werd mede ingegeven door het sterke verzet van het VNO tegen een verbruiksbelasting uitsluitend op brandstoffen. De milieubeweging heeft sedert de invoering van de WABM-heffing gepleit voor een bredere grondslag voor stoffen die milieubelastende input vormen voor de economie zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen, basischemicaliën en metalen. In de politieke discussies over de verbreding van de grondslag zijn verbruiksbelastingen op inputs zoals bestrijdingsmiddelen, meststoffen en basischemicaliën wel overwogen, maar onder druk van de ministers Bukman en Andriessen, achter de schermen gesteund door de werkgeversorganisaties, geschrapt.

Het VNO is dan ook ongeloofwaardig als het stelt dat een echte milieuheffing die rechtstreeks aan het milieu ten goede komt wel acceptabel is, nu het VNO zelf er mede voor gezorgd heeft dat de bestaande bestemmingsheffing in de WABM is omgezet in een algemene (milieu)belasting met een bredere grondslag. Voorts kan niet worden ontkend dat het winnen van grondwater en de produktie van afval milieubelastende activiteiten zijn en dat een verbruiksbelasting daarop redelijk is als aanloop naar ecotax; een systeem van verbruiksbelastingen op milieubelastende activiteiten in plaats van andere belastingverhogingen, bijvoorbeeld op arbeid.

De volgende misser in het betoog van Rinnooy Kan is dat een milieuheffing alleen effectief is voor zaken die prijsgevoelig zijn, zoals "luxe' goederen. Bij energie zou het dus niet werken, zolang geen "schone' kernenergie beschikbaar is.

Het meest voor de hand liggende alternatief voor het gebruik van fossiele brandstoffen is echter niet uraan, maar energiebesparing. Technisch gesproken kan Nederland hetzelfde doen met dertig tot veertig procent van het huidige brandstofgebruik. De historie leert voorts dat na de verhoging van de energieprijzen in 1979 de CO2-emissie in Nederland dankzij energiebesparing daalde van 187 mln ton tot 152 mln ton in 1982-'83, ofwel een vermindering van bijna 20 procent in drie jaar bij een stabilisatie van de nationale produktie.

Bovendien blijkt uit studies van de Stuurgroep Wolfson dat de prijsgevoeligheid van energie juist op de langere termijn aanzienlijk kan zijn. Hogere energieprijzen brengen bovendien het moment dichterbij waarop energie uit duurzame bronnen concurrerend wordt met de "traditionele' energiedragers. Er zal dus van zo'n heffing een extra impuls uitgaan op energiebesparing, maar ook op het ontwikkelen van duurzame energiebronnen. Ook had het Rinnooy Kan bekend kunnen zijn dat kernenergie niet schoon is. Met de hele splijtstofcyclus zijn grote veiligheids- en milieurisico's gemoeid. Fossiele brandstoffen vervangen door uraan is in milieu-opzicht zoiets als "met Beëlzebub de duivel uitdrijven'.

Rinnooy Kan stelt dat de verbruiksbelastingen waarom het hier gaat zo laag zijn dat ze nauwelijks een regulerend effect hebben. Des te opmerkelijker is dat hij vervolgens stelt dat wel de Nederlandse concurrentiepositie een forse deuk zal oplopen. Hier is niet alleen sprake van een tegenstrijdige redenering, maar hier wordt ook voorbijgegaan aan de compensatiemogelijkheden in de vorm van minder gebruik van grondwater en minder afvalproduktie. Diverse onderzoeken en demonstratieprojecten hebben aangetoond dat afvalproduktie en waterverbruik door bedrijven sterk (met vele tientallen procenten) kunnen worden beperkt op een manier die kosten-neutraal of rendabel is. Ook op het gebied van energiebesparing zijn niet alle mogelijkheden - zelfs niet de kosten-effectieve - benut, zoals onder meer uit de bouwsteenstudies van het rapport-Wolfson blijkt; twintig procent energiebesparing is nu al kosten-effectief haalbaar.

Vervolgens wordt de kosten-neutrale invoering van de ecotax bestreden. Daarbij stelt Rinnooy Kan dat de burgers eventuele koopkrachteffecten zullen afwentelen. Klaarblijkelijk zijn hem de laatste maanden enkele opmerkelijke uitspraken ontgaan.

Bij het pleidooi voor invoering van een ecotax in Nederland volgens de c-variant van het rapport-Wolfson stelde FNV-voorzitter Stekelenburg expliciet dat de vakbeweging daaraan geen looneisen zou verbinden; de opbrengst van de ecotax zou immers via belastingverlaging aan de burgers worden teruggegeven. Nog verder ging onlangs CNV-voorman Westerlaken die bereid is te praten over vijf jaar koopkrachtbehoud (= nulgroei) ten behoeve van "de kwaliteit van het leven', waaronder arbeidsomstandigheden en milieu. Dergelijke signalen van één kant van de onderhandelingstafel verdienen deze verdachtmakingen van de VNO-voorman niet.

Te bont maakt Rinnooy Kan het als hij wijst op de gevolgen van een ecotax voor de investeringen van bedrijven. Ecotax zet aan tot investeringen in energiebesparing en dat noemt hij verborgen beleidskosten. Hier moeten twee kanttekeningen bij worden geplaatst. In de eerste plaats leveren die energiebesparingsinvesteringen ook voordeel op; eerder wezen wij erop dat nog talloze rendabele energiebesparingsinvesteringen niet worden gedaan.

In de tweede plaats leiden niet alleen ecotaxen, maar ook wetgeving en de door Rinnooy Kan hoog geprezen convenanten tot soortgelijke investeringen. Nog onlangs waarschuwde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar rapport "Milieubeleid; strategie, instrumenten en handhaafbaarheid' dat niet alleen regulerende heffingen, maar ook andere instrumenten zoals wetgeving en convenanten hun verborgen beleidskosten hebben. Als de doelstellingen identiek zijn, zijn de verborgen beleidskosten in principe zelfs onafhankelijk van de soort van beleidsinstrumenten die men kiest.

    • L. Reijnders
    • A. van den Biggelaar