Verenigd Europa geen beschutte vrijplaats meer

Er was eens een tijd waarin de mensen tot de slotsom kwamen dat de bestaande staten onmachtig waren geworden om al hun functies naar behoren te vervullen. De praktijk had geleerd dat veiligheid naar buiten slechts kon worden bereikt binnen een bondgenootschap. De onderlinge handel leidde tot groeiende betrokkenheid over en weer, maar handel was al een te beperkt begrip geworden. "Multinationale' investeringen, wetenschappelijke en zakelijke uitwisseling en massatoerisme deden de grenzen veranderen van vertrouwde symbolen van beslotenheid en veiligheid tot onaanvaardbare obstakels in het exploderende internationale verkeer.

Zo werd in Europa de gedachte geboren van een economische unie waarin de nieuwe gezamenlijkheid tot uitdrukking kon worden gebracht. Het ging erom het onbelemmerde verkeer van goederen, diensten en personen te bevorderen in de vooronderstelling dat dit de gemeenschappelijke welvaart zou doen toenemen en het individuele leven zou verrijken. Maar de nieuwe vrijheid en bewegingsruimte konden niet worden bereikt en gehandhaafd zonder bovennationale en geharmoniseerde regelgeving, wilde terugval worden vermeden. En voor die regelgeving moest rekenschap worden afgelegd in een gekozen Europees parlement en, zonodig, voor een onafhankelijk Europees hof. De founding fathers van de unie wilden immers niet opgeven wat zij zojuist ten koste van grote offers hadden teruggekregen: de democratie.

Vierendertig jaar later is de eenwording aanzienlijk minder ver opgeschoten dan destijds werd verwacht. Toen drie jaar geleden het onaantastbaar geachte Sovjet-imperium onverwachts ineenstortte, was de Europese Gemeenschap dan ook niet gereed om de schokgolf uit het Oosten op te vangen. Zij was kort tevoren verdeeld geraakt over de vraag of verdieping dan wel verbreding voorrang moest hebben, waarbij verbreding stond voor opneming in de club van enkele min of meer gelijksoortige staten. Tot zijn verbijstering ontdekte Europa dat zijn oostelijke grens plotseling voorbij Vladivostok was komen te liggen. Onder die omstandigheden dreigde verbreding in de praktijk opheffing te gaan betekenen. De discussie over verbreding vernauwde zich al snel tot een debat over de vraag waar de grenzen van de verbreding dienden te worden getrokken.

De vrees voor de Europese ruimte heeft zich nu meegedeeld aan de burgers in de Gemeenschap. In de voorbije decennia werd er gemakshalve van uitgegaan dat de Europese burgers de Europese integratie wensten, weliswaar niet altijd overal en niet voortdurend in dezelfde mate, maar de toonaangevende partijen in de lidstaten schraagden de Europese continuïteit. En dat was voldoende. Totdat de Denen in meerderheid tegen het Verdrag van Maastricht stemden, de Fransen er diep over verdeeld raakten, de Britten en de Italianen als kikkers uit de kruiwagen sprongen, de Duitsers een voorbehoud maakten en zelfs Nederlanders bezwaren konden opperen zonder zichzelf buiten de orde te plaatsen.

De verschuiving in de Europese geestesgesteldheid van instemmende berusting naar soms virulente argwaan is te ingrijpend om haar uitsluitend te verklaren uit een verrassend en plotseling manifest geworden ongenoegen over de Brusselse bureaucratie. Ook de uitleg als zou de burgerij door "Maastricht' eindelijk zijn gaan beseffen wat er aan nationale zekerheden en vertrouwdheden op het spel is komen te staan, voldoet niet. Het begrip subsidiariteit moet zijn verdienste bij de bestrijding van de algemene afkeer van Europa dan ook nog bewijzen. Het is bovendien nogal ongeloofwaardig om uitgerekend op het moment dat er opnieuw stagnatie optreedt in de integratie buitennissig veel werk te maken van het belang van de handhaving van nationale bevoegdheden en privileges. Het is alsof een gestrand schip nog eens van extra ballast wordt voorzien.

Doordat "Maastricht' inzet is gemaakt van het Deense en van het Franse referendum kon de indruk ontstaan dat de inhoud van dat verdrag het stemgedrag bepaalde. Maar afgezien van het feit dat niemand weet welke onderdelen van het verdrag een "ja' dan wel een "neen' uitlokten, de inhoud was te specialistisch en te verscheiden dan dat het stemvolk er wijs uit heeft kunnen worden. Van grotere betekenis was dat de twee volksraadplegingen plaats hadden in het spoor van de diepgaande veranderingen die zich sinds 1989 in Europa hebben voorgedaan: en dan niet alleen de bevrijding van het Sovjet-communisme waarmee alles is begonnen, maar ook de later aangetoonde mate van ellende en verloedering in Oost-Europa, de oorlogen in het voormalige Joegoslavië, de massale immigratie als consequentie en het bewezen onvermogen van het georganiseerde Europa om op dat alles een antwoord te geven.

Het Verenigd Europa is niet langer de beschutte vrijplaats waar het onder bescherming van Amerikaanse wapens goed toeven was. De omvang en reikwijdte van dat Europa waren overzichtelijk. Van de vraag of landen als Zweden en Oostenrijk tot de club konden worden toegelaten, kon een vraagstuk van existentiële importantie worden gemaakt. (Dat de zogenoemde neutraliteit van die staten marginaal en betrekkelijk was, bleek toen de status quo in Europa werd doorbroken.) Europa, ook het Europa van de Gemeenschap, ontdekt dat het op eigen benen moet staan, dat het aan zichzelf is overgelaten, dat het op eigen kracht klaarheid moet verwerven over wat het is, tot waar het zich uitstrekt, tot waar zijn verantwoordelijkheden reiken.

Tegenover de nieuwe grenzeloosheid van de problemen kunnen Europa's natiestaten zich met meer kans van slagen afschermen dan dat nog onvolgroeide ene Europa, althans dat schijnt zo in de ogen van veel burgers die die staten bevolken. Het "nationalisme' van hier en nu is niet de vrucht van een wedergeboorte, van een wederopstanding, maar komt voort uit een desperate poging volstrekt nieuwe en risicovolle gebeurtenissen en ontwikkelingen op afstand te houden - te reageren op veranderingen waarmee geen rekening was gehouden en waarmee niemand raad weet. De Europese eenwording heeft de mensen niet voorbereid en ook niet kunnen voorbereiden op de uitdagingen waarmee zij nu worden geconfronteerd. In haar hadden de privileges moeten worden verankerd die binnen de nationale verzorgingsstaat zo ruimschoots waren uitgedeeld. Nu zal de Gemeenschap zich ondermeer moeten bezighouden met een zo redelijk mogelijke spreiding van al het ongemak dat zich aandient.

Vroeg of laat zal worden ontdekt dat niet de verdeling van bevoegdheden over Gemeenschap en lidstaten, hoe interessant op zichzelf ook, het kernprobleem van deze tijd is, maar de vraag hoe de twaalf straks tegen de twintig ledenlanden klaarheid scheppen in hun verhouding tot het oosten van Europa. Het soort naïeve vrijgevochtenheid dat in Groot-Brittannië als maatstaf voor de onderlinge betrekkingen wordt aangeboden, zal ontoereikend blijken, evenals de zelfgenoegzaamheid in beperkte kring die in Frankrijk wordt gepropageerd. Slechts een Gemeenschap die zich niet voor zijn burgers verschuilt achter een maskerade van nationale opgetogenheid, zal in staat zijn Europa aan een nieuw en duurzaam evenwicht te helpen.