Spoor bijster

DE BOEKEN van de Staat der Nederlanden waren keurig in orde op Prinsjesdag. Het kabinet had bij de voorbereiding van de begroting in de zomer een paar verborgen meevallers gevonden. Met de Nederlandse economie bleek het beter te gaan en de lage dollar hielp om de inflatie te drukken zodat de koopkracht van de minima zonder kunstgrepen behouden zou blijven. Ook al erkende premier Lubbers dat het kabinet op dun ijs schaatste, de coalitie hoopte de formule gevonden te hebben voor pijnloos aanpassen in 1993.

Daags na Prinsjesdag ging het Europese Monetaire Stelsel onderuit. De crisis in het EMS, het stelsel van zo stabiel mogelijke Europese wisselkoersen, was ernstiger dan men had zien aankomen. Het Britse pond en de Italiaanse lire werden gedwongen uit het EMS te stappen en de Spaanse peseta devalueerde. De Nederlandse gulden werd ten aanzien van die munten meer waard. Nieuw is die harde gulden niet, want Nederland behoort dank zij de naadloze koppeling van de gulden aan de Duitse mark tot de monetaire kerngroep van Europa. Bovendien is de gulden ten opzichte van de belangrijkste internationale munt, de dollar, al vele maanden keihard.

De EMS-crisis schudde Den Haag niettemin wakker. In het economische kompas dat het Centraal Planbureau bij de Miljoenennota had geleverd, was een somber scenario over de internationale ontwikkelingen opgenomen, maar het kabinet had er de voorkeur aan gegeven om de begroting te baseren op rooskleurige verwachtingen. Verstandig was dat niet, want in de zomermaanden hadden alle gezaghebbende internationale economische organisaties hun verwachtingen voor de tweede helft van 1992 en voor 1993 al naar beneden bijgesteld. Met een beetje schakelen naar BBC of CNN kan iedereen in Nederland ontdekken dat de recessie in Groot-Brittannië na twee jaar niet is uitgewoed en dat deskundigen in de Verenigde Staten bang zijn voor een "triple dip', een derde terugval in een conjunctuur die maar niet wil aantrekken. De berichten uit Duitsland worden ook steeds somberder.

HET KABINET HEEFT nu een probleem en de oppositie in de Tweede Kamer probeerde daarom gisteravond een parlementaire stunt uit te halen met een voorstel de algemene beschouwingen een maand te verdagen. Beter uitstel totdat het kabinet orde op zaken heeft gesteld dan een onzin-debat (Van Mierlo) over een begroting die bol staat van onzekerheden (Bolkestein). Ter bestuurlijke afstraffing van het kabinet was dat een sterke politieke zet, maar gezien vanuit de economische invalshoek is uitstel niet nodig. Anders zou iedere nieuwe berekening van het CPB tot bijstellingen moeten leiden.

De bijna-schipbreuk van de algemene beschouwingen is mede te wijten aan het gebrek aan aandacht in Nederland voor de grote lijn in het financieel-economische beleid als het op concrete maatregelen aankomt. De internationale recessie laat Nederland niet ongemoeid en dat noopt tot snelle aanpassingen aan veranderende omstandigheden. Op ruzies tot twee decimalen achter de komma in de koopkrachtplaatjes zit niemand te wachten. Van belang zijn wel lagere arbeidskosten, verkleining van het verschil tussen bruto en netto inkomen, bevordering van de arbeidsparticipatie. Het is opmerkelijk dat de sociale partners daarover in de Sociaal-Economische Raad nagenoeg overeenstemming hebben bereikt.

DE HARDE GULDEN is de afgelopen week ontdekt als een probleem. Ook dat is merkwaardig, want het Nederlandse beleid is sinds jaar en dag gericht geweest op een zo hard mogelijke gulden. Een harde munt komt bovendien niet uit de lucht vallen: die is mede het resultaat van een overschot op de handelsbalans en op de lopende rekening van de betalingsbalans. Nederland heeft een exorbitant overschot op de betalingsbalans. Dat relativeert de zorgen over verlies aan concurrentiekracht.

De Pavlov-reactie in Nederland op iedere economische hobbel is de roep om loonmatiging. Deze klinkt als de inflatie toeneemt en klinkt ook nu de inflatie daalt. Het is merkwaardig dat dezelfde oplossing voor uiteenlopende situaties wordt aanbevolen. Een van de voordelen van een harde munt is dat die leidt tot lagere inflatie en lagere rente mogelijk maakt. De verwachte inflatiedaling in 1993 vertaalt zich ongetwijfeld in matiging van de looneisen, ook zonder dat de overheid zich daarmee bemoeit. Overigens helpt bij een zwakke internationale conjunctuur een vergroting van de binnenlandse bestedingen door een gematigde loonstijging om nog iets van groei te bewerkstelligen.

Voor het kabinet zit het venijn in de eigen politieke problemen. Als de inflatie lager uitvalt dan in de begroting geraamd, moet het de voornemens over uitkeringen en ambtenarensalarissen aanpassen en de departementale uitgaven herzien. Dat verklaart de haast die het kabinet had om de sociale partners te bewegen tot loonmatiging en om volgende maand met een aanpassing van de begroting te komen. Als het kabinet aan zijn begrotingsnormen wil vasthouden, heeft het geen keuze. Dat werd ongewild onderstreept door minister van financiën Kok toen hij de oppositionele druk om de algemene beschouwingen een maand uit te stellen pareerde. Kok trok een vergelijking met een "stomer uit de wereldhaven Rotterdam' waarvan nog niet duidelijk is of die over vier weken in Montevideo of in Asunción zal afmeren.

Asunción heeft geen zeehaven; de Paraguayaanse hoofdstad ligt midden in Zuid-Amerika.