Manna

Er staat geen branding in de baai. Eén voor één, telkens even onderbroken door stilte, rollen de golven op het strand. Het geluid hiervan nestelt zich als een eindeloos repeterende windvlaag in je slaap.

En als je wakker ligt kun je op het balkon gaan staan. De promenade baadt in het roerloze schijnsel van een rijtje straatlantaarns. Tot zich een hond vertoont, een kleine zelfstandige. Schuimend gaat hij langs het muurtje. Een manke poot remt zijn gang.

Als hij passeert laat ik een stuk brood vallen. Het dier keert om, snuffelt, eet. En nog een stuk en nog een stuk. Zijn aandacht is volledig bij de grond, hij kijkt niet één keer op, accepteert deze regen zonder vragen.

De volgende morgen staat hij bij de supermarkt. Terwijl ik de ene hand voor zijn neus hou, voel ik met de andere naar het magere van zijn rug. Hij kijkt me aan met de vriendelijkste ogen die ik ooit in een hond gezien heb. Het besef hoe hard hij deze vriendelijkheid nodig heeft, dat hij ervan lééft, vergroot alleen de indruk van die ogen maar.

Er komt een vreemdeling naar buiten met een tas. De hond veert op, gaat er hinkend achteraan. “En pas op voor het circus”, geef ik hem nog mee. Eens per jaar komt het circus naar het eiland, dan worden zwervers aangebracht als voer voor de leeuwen. Die stellen ook geen vragen.