Malaise Suriname beknelt middenklasse

Hoge prijzen en schaarste aan goederen beheersen het leven in Suriname. De regering heeft plannen voor een economische sanering, maar ze krijgt weinig vertrouwen. Een vliesdun laagje schatrijken heeft het goed, de middenklasse krijgt klap na klap. Malaise in Paramaribo.

Geïrriteerd neemt de handelaar in landbouwartikelen een trek van zijn filtersigaret. “Vroeger was Suriname een mooi land”, zegt hij, wachtend op zijn beurt bij een benzinestation. “Nu is het een waardeloze bende, gewoon een shit-country.”

Bij een ander tankstation moest hij onlangs lijdzaam toezien hoe "vaste klanten' en kennissen van de pomphouder voorrang kregen op de lange rij wachtenden. “Zo gaat dat hier”, zegt hij bitter. “In een normaal land zou je er kwaad om worden, hier heeft het geen zin je op te winden. Het maakt toch niks uit. Elke gek met een vuurwapen kan in dit land miljonair worden, maar de gewone man moet afzien.” Een creoolse vrouw valt hem bij: “Ons rotmensen laten ze gewoon kreperen. Alles gaat hier naar de bliksem en de regering doet niks.”

Het leven in Paramaribo wordt beheerst door onzekerheid en vertwijfeling over de neergang van de nationale economie. Na de militaire coup van 1980 hebben de dictatuur, het stopzetten van de Nederlandse ontwikkelingshulp, de implosie van de bauxietmarkt en jarenlange verspilling door achtereenvolgende regeringen het land geruïneerd. De huidige regering van president Ronald Venetiaan trof bij haar aantreden in september 1991 een geplunderde schatkist aan.

Zonder ingrijpende maatregelen zal het begrotingstekort van de overheid volgend jaar zijn gestegen tot 617,4 miljoen gulden, liet president Venetiaan vorige maand weten. Dat is zo'n 20 procent van het bruto nationaal produkt, en daarmee behoort Suriname tot de landen met de grootste tekorten ter wereld. De regering wil daar iets aan doen door komend jaar 300 miljoen te besparen. “Onze natie is in problemen. Onze verzwakte economie nadert de mond van de stroomversnelling die we willen nemen, omhoog naar oorden waar welvaart op ons wacht. We hebben geen motor meer en overigens ook geen brandstof. We hebben nog wel kracht van de natuur en onze eigen kracht”, aldus Venetiaan in een toespraak over de begroting.

De Surinaamse deviezeninkomsten zijn intussen teruggelopen tot negen miljoen dollar per maand, nauwelijks genoeg voor de aankoop van primaire levensbehoeften uit het buitenland. Alleen al de nationale brandstofrekening bedraagt zes miljoen per maand. De regering verwijst importeurs die voor hun bedrijfsvoering deviezen nodig hebben naar de zwarte markt, waar dertien tot vijftien Surinaamse guldens voor één Nederlandse wordt betaald. De officiële koers is nog altijd één op één.

De inwoners van Paramaribo merken de gevolgen van de malaise dagelijks. De prijzen zijn explosief gestegen, het openbaar vervoer raakte vorige maand ontwricht door stakingen bij de busdiensten, die kampen met een nijpend tekort aan reserve-onderdelen. Daarbij kwam benzineschaarste - veroorzaakt door betalingsachterstand van de Surinaamse overheid bij de oliemaatschappijen - die leidde tot hamsterwoede, lange rijen bij de benzinestations en relletjes waarbij de politie moest ingrijpen. Vorige week gingen ongeveer duizend demonstranten de straat op om hun onvrede over de economische situatie te uiten. De vakbond van leraren, die zich van de actie distantieerde, noemt de situatie in het land "onhoudbaar en zeer explosief'.

De onrust onder de bevolking wordt versterkt door onzekerheid over het "structurele aanpassingsprogramma' (SAP) dat de regering heeft aangekondigd om de economie te saneren. Het programma, opgesteld op basis van rapportages van het adviesbureau Coopers & Lybrand en het Warwick Research Institute, moet de produktieve sector stimuleren - minder import, meer export - en de uitgaven van de overheid terugdringen. Kranten en televisie berichten dagelijks over de voorbereidingen van het "SAP'. Het moet op 1 november beginnen, maar over de concrete inhoud is de meeste Surinamers nog weinig bekend. Duidelijk is alleen dat het pijn zal doen.

Pag 20: Verlaging begrotingstekort is cruciaal voor Suriname; "De rijken en handelaren trekken toch altijd aan het langste eind'

Om de produktie van Suriname te stimuleren, zou het land volgens zijn adviseurs zijn gulden moeten devalueren om de munt een realistischer wisselkoers te geven. Nederland heeft Suriname ter waarde van 40 miljoen gulden betalingsbalanssteun toegezegd; de eerste "tranche' ervan, met een waarde van 3 miljoen dollar, is onlangs geveild tegen een koers van rond de 18 Surinaamse gulden voor een dollar. Door de markt zo de waarde van de Surinaamse gulden te laten bepalen, is het land de weg ingeslagen naar een zwevende koers voor zijn valuta. Bij de onlangs ingevoerde wisselplicht voor buitenlandse bezoekers wordt een koers gehanteerd van één Nederlandse gulden op zes Surinaamse.

Cruciaal in het aanpassingsprogramma is ook het terugdringen van het begrotingstekort, eind jaren tachtig gestegen tot 500 miljoen gulden. Nadat de militairen in december 1990 hun "telefonische coup' pleegden tegen de regering-Wijdenbosch, constateerden critici dat zij 's lands schatkist als verkiezingskas had gebruikt. Het tekort werd gedekt door simpelweg geld bij te drukken, wat heeft geleid tot een overliquiditeit van ruim 2 miljard gulden.

De overheid hoopt door het veilen van de betalingsbalanssteun ruim 400 miljoen Surinaamse gulden uit roulatie te nemen. Daarnaast zal worden gesnoeid in subsidies aan staatsbedrijven en instellingen voor gezondheidszorg, komt er een personeelsstop bij de overheid en zullen “niet noodzakelijke landsdienaren” in het omvangrijke ambtenarenapparaat moeten afvloeien. Hoe een en ander precies zal worden aangepakt, is nog onduidelijk. Hetzelfde geldt voor het 'sociaal vangnet' dat de regering heeft beloofd om de zwakke groepen in de samenleving bij de pijnlijke maatregelen te ontzien.

“Het volk vraagt zich af wat de regering zo lang weerhoudt van duidelijke maatregelen”, zegt Nieuw Front-politicus en vakbondsleider Fred Derby in zijn kantoor aan de Wanicastraat. “Venetiaan heeft beloofd de "tarantula's' aan te pakken, de malafide handelaren die de prijzen opdrijven en zich verrijken - maar hij heeft het nog niet gedaan.” Dat moet absoluut gebeuren, meent Derby. “We moeten eindelijk eens de heilige huisjes intrappen in dit land, ook als die op ons eigen Nieuw Front-erf staan.”

Voor de gewone Surinamer zijn de exorbitante prijzen de hardste uiting van de miserabele economische situatie. Een gezin betaalt 40 procent meer voor zijn boodschappen dan een jaar geleden; de prijzen volgen de zwarte koers. Eerste levensbehoeften als rijst (50 gulden voor 25 kilo, medium-kwaliteit) en groente zijn nog net betaalbaar, een tube tandpasta kost al 22,50 gulden. Een potje pindakaas: 32,50 gulden. Een rol wc-papier: 10 gulden. "Wie rekenen kan komt voordeliger uit', meldt een reclamebord in de Combé supermarkt: drie rollen voor 27 gulden.

De lonen zijn dramatisch achtergebleven bij de prijzen: 2.000 gulden per maand, op de zwarte markt de tegenwaarde voor ongeveer 150 Nederlandse guldens, geldt officieel nog steeds als een goed inkomen. Een directeur bij de overheid - waar ruim de helft van de beroepsbevolking van ongeveer 80.000 personen een baan heeft - verdient een topinkomen van ongeveer 5.000 gulden per maand. “Als het zo doorgaat, verschrompelt de ruggegraat van de samenleving: de middenklasse”, waarschuwt Fred Derby, die een tweedeling signaleert van de samenleving in “een vliesdunne laag van schatrijken en een grote massa van armen”.

In het straatbeeld van Paramaribo is de polarisatie van de samenleving duidelijk. In de wijken Rainville en Elisabethshof prijken schotelantennes naast villa's met twee of meer auto's in de carport. Modieus geklede jongeren nippen aan cocktails en cola op het terras van de bar King's Corner, waar westerse house-muziek uit de speakers dreunt. Aan de andere kant van de stad, in sloppenwijken als Latour en Flora, scharrelen kinderen op straat een inkomen bij elkaar met de verkoop van fruit, brood en sigaretten - zij moeten "hosselen'. “Allemaal gestolen waar”, meent een politieagent in de wijk. “Zonder diefstal overleven ze hier niet.”

Tegenover de centrale markt staat Franklyn, een boomlange creool in een rood pak. Hij werkt als boekhandelaar, achter een ruwhouten tafel met stapels verkleurde Nederlandse damesromannetjes. Tien gulden per stuk. “Mijn moeder stuurt ze uit Nederland”, zegt hij. Ja, hij kan er wel van leven: “Op een goeie dag verdien ik driehonderd gulden.” Aan de overkant van de straat jongleren drie jonge javaanse schoenlappers met een hamer. “Beter dit dan stelen”, zegt een van hen. “We verdienen niet veel, maar als je niet werkt ga je uit stelen, domme dingen doen.”

Ook de middenklasse moet nu "hosselen', improviseren met overwerk en bijbaantjes om de prijsontwikkelingen bij te kunnen benen. “We gaan terug naar de tijd van de ezelkar”, lacht de moeder uit het javaans-creools middenklassegezin, dat in het oosten van de stad woont. “Je bent niet echt arm, maar je kunt je niks meer permitteren. Je moet je zien te behelpen.”

“De prijzen zijn absurd”, zegt de vader uit het gezin, in hemdsmouwen aan tafel in de woonkamer. “Hier, dat ding is korter dan mijn pink”. Vol ongeloof wijst hij naar een minieme tube Bison Kit die hij zojuist heeft gekocht: zeventien gulden vijftig. “Je werkt wel in dit land, maar je geld verdwijnt in het niets”, zegt hij bitter. Hij maakt een wegwerpgebaar: “De regering brengt er niks van terecht, het zijn toch altijd de rijken en de handelaren die aan het langste eind trekken.”

Gevolg van de prijsexplosie is dat het gezin niet meer in het huishouden kan investeren: een fiets kost 1.500 gulden, een koelkast 15.000. De 28-jarige oudste zoon des huizes, een rijksambtenaar, probeert al jaren een eigen woning te vinden, maar zonder succes: huren is onbetaalbaar geworden voor iemand met zijn inkomen van circa 1.300 gulden, tien jaar geleden nog een redelijk salaris. De familie overwweegt het zestig jaar oude huisje van de Javaanse grootouders in de buurt te vergroten, om daar plek te maken voor hem en zijn vriendin.

“Iemand die nu een leven moet opbouwen heeft het ontzettend moeilijk, ja. Ik gelukkig niet, ik ben al binnen”, zegt een paar straten verderop Fred (36), een hindoestaan in een openhangend geblokt hemd en korte broek. Hij draait zich nog eens om in de hangmat op zijn erf aan een drukke zandweg. Twee vrienden zitten op een houten bankje tegenover hem. Als wiskundeleraar verdient hij ongeveer 3.000 gulden per maand, aangevuld met bijlessen tot ongeveer 4.000, maar hij heeft een riant eigen huis met een erf van zeshonderd vierkante meter. Het huis kocht hij in 1982 voor 40.000 gulden. “Na die moorden in december trok iedereen weg. De prijzen kelderden, jongen.” Het is nu 700.000 gulden waard, zegt hij.

De effecten van de economische crisis merkt Fred vooralsnog slechts oppervlakkig: “Het is hier toch geen Biafra? Er groeit genoeg eten gewoon aan de boom.” De malaise heeft zelfs zijn positieve kanten, zegt hij. “Je wordt minder lui. In het verleden nam ik altijd anderhalve maand vakantie - en dan deed ik echt niks - nu maar drie weken.” Hij veert overeind. “Weet je wat ik vooral merk? Ik vond vroeger die Hollanders altijd zo merkwaardig: afgepast koken, sober kleden. Mijn moeder kookte altijd genoeg voor honderd mensen en de rest gooiden we weg. En nu word ik zelf zo - precies als die Hollanders!” Hij schaterlacht, zijn vrienden lachen mee.

Onder de huidige omstandigheden is voor Surinamers met familie in Nederland de pakketpost uit dat land - de totale waarde aan verscheepte goederen wordt geschat op honderd miljoen gulden per jaar - meer dan ooit welkom. “Zonder die pakketten was Suriname allang kapot”, zegt een man in het kantoor van het transportbedrijf Calypsona.

Terwijl de middenklasse pas op de plaats moet maken of zelfs vechten om niet tenonder te gaan, is het leven voor de rijke elite van huiseigenaren en handelaren nog comfortabel - evenals voor de Surinamers die in Nederland een bestaan hebben opgebouwd. Wie zijn Nederlandse loon of uitkering van 2.000 gulden zwart wisselt, kan in Suriname met het dertien- tot vijftienvoudige op zak 'bigi maken', de rijke patser uithangen. “Die lui verpesten het voor iedereen”, zegt een oudere Surinamer. “Ze geven het verkeerde voorbeeld: snel rijk worden en vervolgens met geld smijten.”

Bij Cola Kreek, een recreatieoord in het bos ten zuiden van Paramaribo, staan op zondagmiddag tientallen sportwagens en personenbusjes langs de kant van de weg. Gezinnen sjouwen met manden en gele plastic Schiphol-tasjes vol drank en voedsel, uit gettoblasters klinkt hindoestaanse popmuziek. Op de parkeerplaats staan vier in hemdsmouwen gestoken hindoestanen uit Nederland, een fles whisky op de motorkap van hun Toyota Corolla. “Voor de mensen die hier werken is het afzien”, zegt een van hen, terwijl hij zijn plastic bekertje nog eens volschenkt. “Maar voor ons is het leven hier goed.”

De exodus naar Nederland houdt, ondanks pogingen van de regering-Venetiaan om met een moreel appel het tij te keren, onverminderd aan. Jaarlijks worden 30.000 tot 40.000 visumaanvragen ingediend bij de Nederlandse ambassade, één aanvraag op elke tien Surinamers. In het benauwde kantoor van de vreemdelingendienst aan de Nieuwe Haven wuift een donkere vrouw in een felrode jurk zich koelte toe met haar paspoort. Ze komt uit Nederland en gaat over twee dagen weer terug. “Gelukkig - ik was hier in geen tien jaar meer geweest, maar het viel me bar tegen. Ik vind het hier echt een grote rommel. Na een week wilde ik alweer terug.”