Maastricht moet door alle twaalf worden geratificeerd; Gepraat over een "mini-Europa' zonder de Britten is in strijd met het fatsoen; De lidstaten van de Gemeenschap werken aan een onderneming die haar weerga niet kent

Morgen komen regeringsleiders van Europese Gemeenschap voor een ingelaste top in Birmingham bijeen om het Verdrag van Maastricht te redden. De Britse premier John Major, huidig voorzitter van de EG en gastheer van de top, schetst hieronder de positie van zijn land in Europa en gaat in op de taken die de EG volgens hem moet uitvoeren.

Zowel in Groot-Brittannië als op het Europese vasteland wordt hier en daar weer het zinloze debat gevoerd over de vraag of ons land al dan niet een deel van "Europa' is. Dit is een kwestie voor politicologen en voor hen die ivoren torens bewonen; met de historische, politieke of culturele realiteit heeft ze niets uitstaande.

Wat er op het Europese vasteland gebeurde, heeft altijd een direct effect gehad op de binnenlandse politiek en het buitenlandse beleid van Groot-Brittannië. Ook ons land heeft bloed vergoten in de twee oorlogen die Europa deze eeuw hebben verscheurd. De Britse bijdrage aan literatuur, wijsbegeerte, politiek denken en politiek leven van Europa is een essentieel onderdeel van de unieke beschaving van ons Europese continent.

Het is absurd te doen alsof Groot-Brittannië zich naar believen zou kunnen losmaken uit de hoofdstroom van de Europese ontwikkelingen. En even absurd is het te doen alsof ons land zomaar uit die hoofdstroom zou kunnen worden verdreven. Gepraat over een "mini-Europa' zonder de Britten is in strijd met het fatsoen. De Gemeenschap noch enige andere instantie kan aanspraak maken op de kwalificatie "Europees' als ze geen plaats biedt aan één van de belangrijkste Europese landen. Groot-Brittannië staat centraal in wat er in Europa omgaat, en dat zal zo blijven. Bij mijn weten is er geen weldenkend staatsman in Europa die een andere opvatting heeft.

Overigens waren de naoorlogse betrekkingen tussen Groot-Brittannië en de rest van Europa niet altijd even zonnig. Na de oorlog richtte een groep Europese staatslieden met visie de Europese Gemeenschap op om zo te garanderen dat de Europeanen nooit weer zouden proberen elkaar en hun gemeenschappelijke beschaving te verwoesten. Dat was een nobel streven, dat ook is verwezenlijkt. In de jaren vijftig hielden de Britten zich afzijdig van dit proces - een fout waarop we sindsdien veel zijn aangevallen.

Toch leerden we heel snel van onze fout, want al vier jaar na de oprichting van de nieuwe gemeenschap vroegen we het lidmaatschap aan. De oorspronkelijke zes lidstaten maakten toen een nog grotere fout: de Britse aanvraag werd tweemaal afgewezen. Groot-Brittannië werd pas na het verstrijken van twaalf lange jaren eindelijk toegelaten, en dan nog onder financiële voorwaarden die apert onbillijk waren en waarover opnieuw moest worden onderhandeld. Geen wonder dat de Britten zich ongelukkig voelden in een organisatie die hun verweet "on-Europees' te zijn telkens wanneer zij hun eigen visie gaven op het reilen en zeilen van de Gemeenschap.

We hebben allen fouten begaan. Het ligt niet in mijn bedoeling lof of verwijten uit te spreken. Maar de gevoelens die in die jaren zijn gewekt, werpen ook nu nog hun schaduw. We respecteren de argumenten van hen die thans de meest verregaande interpretatie van het streven naar politieke en economische eenheid huldigen. Maar onze eeuwenoude ervaring met de opbouw van een stabiele, vreedzame politieke maatschappij heeft ons argwanend gemaakt voor pogingen om de loop van de geschiedenis te versnellen.

De Gemeenschap is wel vergeleken met een fiets, die omvalt als je er niet in volle vaart op doorrijdt. Maar wie te hard fietst, kan over een losse steen rijden, uit zijn koers raken en zich een lelijke buil vallen. De Britten zijn van mening dat duurzame politieke instellingen zijn als koraalriffen: de beste groeien langzaam maar zeker. Daar is niets "on-Europees' aan.

De afgelopen maanden is Europa over een losse steen gefietst. Het grote publiek - niet alleen in Denemarken en Frankrijk, in Duitsland of in Groot-Brittannië - is ongelukkig met het hoge tempo van de ontwikkelingen. Het is ontevreden over de uitleg die het heeft gekregen van de politieke leiders. De mensen zijn bang dat hun zal worden gevraagd hun dierbare nationale tradities, hun politieke instituties en de vrijheid om hun bestaan zo in te richten als het hen goeddunkt, op te geven. Ze hebben het gevoel dat ze worden genegeerd, overrompeld, bedrogen door ingewikkelde bureaucratische formules die geheel vreemd zijn aan de taal die zij zelf dagelijks spreken. Deze mensen zijn niet onwetend. Ze zijn ook niet dom. Ze zijn niet tegen Europese samenwerking. Maar het is thans aan hun leiders om uit te leggen wat ze aan het doen zijn, in taal die de gewone mensen in Europa verstaan, en om de bouw van onze gemeenschappelijk instituties voort te zetten in een tempo en op een wijze die voor hen aanvaardbaar is.

De eerste les die uit de afgelopen maanden te trekken valt, is dus dat de werking van de Europese Gemeenschap meer openbaar moet worden en dichter bij de gewone mensen van alle Europese landen moet worden gebracht. De Europese Commissie speelt een onmisbare rol als het erop aankomt nieuwe voorstellen te doen en te zorgen dat de landen van de Gemeenschap eerlijk met elkaar omgaan. Maar ze moet degenen op wie haar voorstellen betrekking hebben veel uitvoeriger raadplegen voordat ze haar denkbeelden voorlegt aan de Raad van Ministers. In elke lidstaat is het het parlement dat, telkens op zijn eigen, unieke wijze, de nationale vrijheden garandeert. We moeten met ons allen af van het gruwelijke Euro-jargon, de gewrongen taal van de Europese communiqués, dat zich nauwelijks ten doel stelt de lezer te informeren.

Ten tweede moeten we veel duidelijker zijn over de vraag welke taken de Europese Commissie dient te verrichten en welke ze moet overlaten aan de wetgevende en uitvoerende macht in elk land afzonderlijk. Dat is wat we bedoelen met "subsidiariteit', zelf ook weer zo'n onappetijtelijk stukje Euro-jargon dat echter wèl een belangrijk beginsel aanduidt.

Bovenal moeten we duidelijk zijn over de vraag welke kant de Europese Gemeenschap opgaat. Volgens sommigen zal ze uiteindelijk een federatie worden, een Verenigde Staten van Europa met één regering, één economie en één leger. Ik geloof daar niets van. Deze gedachte is gebaseerd op een foutieve analogie met de geschiedenis van de Verenigde Staten. De VS zijn gegroeid uit een confederatie van dertien kleine koloniën met een gemeenschappelijke taal, wetgeving en politieke traditie. En nog hebben de Amerikanen hun eenheid pas bereikt na een bloedige burgeroorlog.

De lidstaten van de Gemeenschap werken aan een onderneming die haar weerga in de geschiedenis niet kent: het scheppen, tussen de nationale staten van Europa, van wat de opstellers van het Verdrag van Rome, wijselijk in opzettelijk vage bewoordingen, hebben omschreven als een “steeds nauwere eenwording” van de volkeren van Europa.

Een cruciaal onderdeel van die onderneming is de ongedeelde markt waarop zakenlieden in heel Europa nu al vele jaren aandringen. Ons gemeenschappelijke streven om de grootste vrijhandelszone ter wereld te scheppen, nadert zijn verwezenlijking. Daardoor ontstaan nieuwe mogelijkheden voor alle Europeanen om nieuwe werkgelegenheid en grotere welvaart te creëren.

Het Europese Monetaire Stelsel was bedoeld ter bevordering van de stabiliteit. Maar de gebeurtenissen van de afgelopen weken hebben onomstotelijk aangetoond dat het EMS aan extreme spanningen blootstond. Twee leden ervan hebben hun lidmaatschap moeten opschorten. Een derde munt is gedevalueerd en in drie lidstaten zijn maatregelen getroffen ter bescherming van de wisselkoers. De belemmeringen voor de handel binnen Europa zijn niet kleiner maar groter geworden. Dat was niemands bedoeling. We zullen de omstandigheden waaronder het stelsel moest functioneren ernstig onder ogen moeten zien. Het pond zal er niet in terugkeren totdat we ervan zijn overtuigd dat het stelsel zo kan werken dat alle deelnemende landen ermee gediend zijn.

Sommige mensen hopen, en anderen vrezen, dat de Economische en Monetaire Unie zoals die is vervat in het Verdrag van Maastricht een stap op weg naar een federaal Europa betekent. Ik heb al uitgelegd waarom ik meen dat die hoop zowel als die vrees ongegrond is. De instelling van één centrale bank en één munt - onder de secure controle van alle lidstaten - zou het voeren van een monetair beleid beter kunnen afstemmen op de behoeften van al die staten. Maar ze kunnen beide pas worden ingesteld als de economieën van de Europese landen veel nauwer op elkaar zijn afgestemd dan nu nog het geval is.

In Maastricht toonde ik me sceptisch over het voorgestelde tijdschema, en hield ik eraan vast dat de uiteindelijke beslissing bij het Britse parlement zou liggen. Het verbaast me niet dat ook de Bondsdag op het cruciale ogenblik een stem in het kapittel wil. Als het zover is, verwacht ik dat nog meer parlementen en andere politieke leiders hetzelfde zullen zeggen. Dat is terecht en dat is gezond: de afspraken zoals voorgesteld in het Verdrag van Maastricht kunnen nu eenmaal niet worden nagekomen, tenzij ze worden gesteund door de duidelijk uitgesproken wil van alle lidstaten.

Het Verdrag van Maastricht is niet volmaakt: dat zou ook niet kunnen, want het beoogt de afspiegeling te zijn van een consensus tussen twaalf soevereine staten. Het belichaamt ook niet het totale Europese streven. Er valt nog veel te doen buiten onze discussie over de toekomst van het Verdrag. Er wachten op korte-termijntaken die onze gezamenlijke welvaart zullen vergroten: de instelling van één Europese markt zonder handelsbelemmeringen; een GATT-akkoord waardoor de belemmeringen voor de internationale handel geringer worden. Maar ook zijn er taken voor de lange termijn. En bovenal hebben zij die thans al werken aan de opbouw van een vreedzaam, welvarend, open en democratisch Europa verplichtingen aan onze mede-Europeanen die nu nog buiten de Gemeenschap staan.

Het is in een ieders voordeel het ledenbestand zo snel mogelijk uit te breiden met de welvarende democratieën van de EVA. Maar ik ga verder. De Gemeenschap heeft reeds laten zien wat de weg der samenwerking betekende voor de jonge democratieën Spanje, Portugal en Griekenland. Het is onze plicht dezelfde voordelen te bieden aan de jonge democratieën die thans oprijzen uit de duisternis van het communisme. Dit zal een gecompliceerde, langdurige inspanning vergen. Maar als we die niet op ons nemen zal de geschiedenis ons dat niet vergeven.

Het Verdrag van Maastricht stippelt een route uit waarlangs de gemeenschap voorwaarts kan gaan. Het stelt haalbare doelen, en formuleert redelijke ambities voor de komende jaren. Ik heb erover onderhandeld onder het gezag van het Britse parlement en het maakte deel uit van het mandaat dat ik en de Conservatieve Partij hebben verkregen bij de verkiezingen in april. Ik zal het binnenkort aan het Britse parlement voorleggen. Het debat in ons parlement zal serieus, nauwgezet en langdurig zijn, en vaak rumoerig. Onze parlementariërs willen terecht precies weten wat het Verdrag in de praktijk voor ons land en onze toekomst zal gaan betekenen. Maar ik twijfel er niet aan dat het Verdrag zal worden goedgekeurd.

Eén ding moet buiten kijf staan: worden wanneer het is geratificeerd door alle twaalf lidstaten van de Gemeenschap. En zover komt het pas wanneer alle lidstaten ervan overtuigd zijn dat het Verdrag in hun belang is. Pogingen een lidstaat - hoe klein of groot ook - te dwingen een Europees beleid te steunen waarin deze niet gelooft, zijn zinloos. Het toch te proberen betekent de ondermijning van het gemeenschappelijke streven waarvan het welslagen van de Gemeenschap afhangt en dat voor haar voortbestaan onmisbaar is.