Lubbers niet voor sociale dienstplicht

DEN HAAG, 15 OKT. Premier Lubbers wijst het idee van CDA-fractieleider Brinkman voor een sociale dienstplicht af. Dit bleek gisteren in het antwoord van de regering aan de Tweede Kamer tijdens de algemene beschouwingen.

Volgens Lubbers leidt een algemene plicht voor jongens en meisjes om, zoals Brinkman wil, na schooltijd enkele maanden in de gezondheidzorg of andere maatschappelijke sectoren nuttig werk te doen tot teveel bureaucratische problemen. Ook vond Lubbers het beter om de jongeren op basis van vrijwilligheid allerlei nuttig werk te laten doen. Wel wil het kabinet jongeren met een uitkering met sancties tot arbeid aansporen.

In een omstandig betoog waarin Lubbers het idee van zijn "kroonpins' Brinkman van de hand wees, zei de premier het idee te steunen om jongeren “tot maatschappelijke oriëntatie” aan te zetten. Maar hij vindt dat er op dit moment voldoende methoden zijn om ervoor te zorgen dat “jongeren aan de slag gaan”. Hij wees daarbij met name op de werkervaringsplaatsen en het Jeugdwerkgarantieplan dat jongeren tot werk kan dwingen als zij zich daaraan willen onttrekken. “Men zal weer aan de slag moeten of misschien een opleiding moeten volgen”. Het jeugdwerkgarantieplan dat wordt uitgevoerd door gemeenten kent ook verplichtende elementen.

Volgens Lubbers kan door groei van het jeugdwerkgarantieplan worden voorkomen dat jongeren die geen opleiding volgen of geen werk hebben “maatschappelijk passief” worden. Invoering van de sociale dienstplicht is, zo meent hij, niet nodig omdat via bestaande plannen “principieel iedere jongere aan de slag zal zijn”. Brinkman, die zijn idee voor sociale dienstplicht eerder deze week al nuanceerde, vroeg daarop of “niemand van de jeugd kan ontsnappen aan het schema van het kabinet”.

Lubbers wees erop dat bestaand beleid van onderwijs, scholing en jeudgwerkgarantieplan een sluitend geheel biedt. Invoering van een sociale dienstplicht zou bovendien een grote ambtelijke operatie vereisen. Bij een sociale dienstplicht voor jongens en meisjes zou een overheidsapparaat enige honderdduizenden tijdelijke arbeidsplaatsen moeten vinden. “De waarde dat iedere jongere een deel van zijn tijd besteedt aan die maatschappelijke oriëntatie moet afgewogen worden tegen de nadelen van een bureaucratische organisatie, de mindere gemotiveerdheid en het kostenaspect”.

Brinkman erkende dat sociale dienstplicht niet eenvoudig is in te voeren maar hij wees erop dat “een aantal signalen uit de samenleving in het debat niet op de juiste waarde worden geschat”. Volgens hem zou het goed zijn als ook jongeren voor hun praktische oriëntatie in de samenleving zouden zien hoe het in andere delen van de samenleving toegaat. Lubbers wees erop dat op dit moment de bewindslieden van onderwijs en WVC bezig zijn de maatschappelijke oriëntatie in het onderwijs te versterken.

Lubbers wilde zich nog niet uitspreken over de handhaving van de militaire dienstplicht. Minister Ter Beek (defensie) liet deze week weten dat hij, net als de commissie-Meijer, voorstander van de militaire dienstplicht blijft. “Ik parkeer deze vraag tot wij in het kabinet spreken over de reacties van de regering op het rapport van de commissie-Meijer en de nota van de minister van defensie”, aldus Lubbers.