Het wildste nummer uit de trukendoos

De vijftig best verzorgde boeken liggen weer tentoongesteld in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Uit een totaal van 323 inzendingen koos de jury, bestaande uit Lucas Bunge, Gerard Hadders, Gerard van der Maar, Kees Nieuwenhuijzen en Rob Stolk, de meest zintuigstrelende uitgaven van 1991. De ontwerper van de catalogus greep alle mogelijkheden aan om zich eens flink uit te leven. "Een neurose van postmoderne vermicellisoep.'

Tentoonstelling De Best Verzorgde Boeken 1991. T/m 7 nov. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Ma t/m zo 11-17u. Inl 020-5732911. Catalogus ƒ 34,50.

Meer dan bij een andere tentoonstelling, wordt bij een tentoonstelling van goed verzorgde boeken de aandacht getrokken door de catalogus, zelf ook een boek. Zou de catalogus van dit jaar zelf wel in aanmerking zijn gekomen voor selectie? is de vraag die je meteen kietelt. En zo ja, in welke termen zou de jury zich er dan over uitspreken? Want selectie betekent nog niet, blijkens veel van de jurycommentaren, dat een bekroond werk in zijn totaliteit wordt bejubeld. Integendeel. Een boek kan tegelijk worden geprezen om één van zijn verdiensten en gegispt om véél van zijn tekortkomingen.

Dat maakt het lezen van dat juryrapport tot een aangename bezigheid, waarbij een milde vorm van leedvermaak nooit veraf is. Soms vraag je je af of een ontwerper wel ingenomen kan zijn met een compliment als: “Het bindwerk kon beter, er is te veel lijm gebruikt, de naaigaten lijken te zijn aangebracht met een priem en het stempelen op het schuurpapier dat voor linnen doorgaat, was ook niet eenvoudig. Ten leste steken de platten te veel over. En toch bekroond.” (Over Hollandse Quintijnen van Martin Veltman, vormgeving: Marjo Starink.) Het enige geselecteerde kinderboek kreeg zelfs een commentaar mee in de vorm van een heus schoolrapport. Inclusief een quotering per onderdeel (een gemiddelde van 7+) en een Algemeen Oordeel: “Je hebt een goede inzet, maar bent af en toe wat slordig. Binnen je mogelijkheden heb je gedaan wat je kon en dat verdient een prijs. Proficiat!” (Het grote boek van Merel van Rindert Kromhout, vormgeving: Barbara van Dongen Torman.)

Het spreekt vanzelf dat een boek waarin dit slag van verdicten wordt geveld, zelf zo goed mogelijk voor de dag moet komen. In de voorgaande jaren namen de makers alle mogelijkheden te baat om zich eens flink uit te leven. Ze schipperden daarbij als steeds tussen het etaleren van hun professionele kunnen enerzijds, en het opdiepen van hun wildste nummer uit de trukendoos anderzijds, in de hoop zo veel mogelijk collega's en potentiële klanten te epateren. Ook Menno Landstra, de ontwerper van de catalogus van dit jaar, houdt deze traditie in ere. Het resultaat is een boekwerk dat zeer zeker bijzonder genoeg is om geselecteerd te worden, maar dat zou mogen rekenen op een extra lang juryrapport.

Het Algemeen Oordeel zou moeten luiden dat Landstra onvervaard heeft geëxperimenteerd, zonder zijn functie van catalogus uit het oog te verliezen. Onmiddellijk daarna zouden scherpe kanttekeningen volgen. Om te beginnen bij de belettering op het voorplat. In een niet eens zo mooie en moeilijk leesbare letter, worden alle woorden aan elkaar geschreven en daarna per vier letters weer in blokjes gehakt en onder elkaar gezet - een procédé dat de leesbaarheid niet bepaald ten goede komt. Om de lezer helemaal zeeziek te maken werd dit procédé, zij het in een kleiner korps en per drie letters, herhaald voor de Engelse vertaling van de titel, die vervolgens ook nog eens over de Nederlandse titel heen werd gedrukt. Het geheel werkt niet, zelfs niet als een logo, ook niet met een driedimensionale bril. Het blijft postmoderne vermicellisoep, van een soort computerbarok dat zelfs een videoclipfanaat doet terugverlangen naar het tijdperk van de loden letter. Binnenin zetten de titelbladzijden deze voorplatneurose consequent verder. De rest van het zetwerk is godzijdank leesbaar. Een mooie letter, degelijk zetwerk, evenwichtige bladspiegel, smaakvolle layout. Toch ook hier een element van overwerktheid. Alle bladzijden waar alleen tekst op staat, kregen een kader mee dat de tekst omvat - heeft een goeie zetspiegel dat wel nodig? Bovendien gaat het niet om zomaar een kader, het is een vijfdubbel kader dat herinneringen oproept aan een saaie schilderijlijst, of erger nog: aan een doodsprentje. Daar staat tegenover dat de covers van de bekroonde boeken groot en in kleur zijn opgenomen. (Merkwaardig is, dat ze de ene keer worden voorafgegaan door een mat transparant schutblad, de andere keer door een blinkend transparant schutblad, nog een andere keer door helemaal géén schutblad. Een reden voor dat verschil heb ik niet kunnen ontwaren.) Het bindwerk ten slotte werd vervangen door twee charmante, koperen busschroeven. Ongetwijfeld een antwoord op het bindwerk van de catalogus van vorig jaar. Toen werd een revolutionair genoemde nieuwe lijm gebruikt, die tevoren alleen in de bouwsector werd aangewend. Maar bij de opening van de tentoonstelling werd alle aanwezigen gevraagd de catalogus de eerste dagen niet te openen, omdat de lijm, hoe revolutionair ook, een lange droogtijd nodig had terwijl de catalogus slechts op het allerlaatste nippertje kon worden geleverd - wat alle aanwezigen, het puikje van de Nederlandse druk-, zet- en uitgeverijbranche, zo vertrouwd in de oren klonk dat ze er alleen maar hartelijk om konden lachen.

Al met al mag men de tentoonstelling zelf natuurlijk niet uit het oog verliezen. Ook dit jaar is zij van een hoog niveau. Absolute uitschieters zijn het PTT Jaarboek 1990 (redactie: Loeki Schönduve, vormgeving: Haico Beukers - NAP), Baksteen in Nederland (diverse auteurs, vormgeving: Henk Hoebé, Hans Bockting, Marisa Klaster - UNA), Groot woordenboek van Synoniemen (diverse auteurs, vormgeving: Marjan Gerritse), Welkom in Suid-Afrika (foto's: Ad van Denderen, vormgeving: Marion Dinkelberg) en Raiders of the lost art. After Nature Agenda 1992 (redactie: Gert Meijerink, vormgeving: Linda van Deursen en Armand Mevis).

Prachtige boeken, die meer dan één zintuig strelen. Het moet me van het hart dat, vergeleken hierbij, de literaire boeken achterblijven. Van de acht in de tentoonstelling opgenomen literaire titels is er geen enkele die een gedurfde, spitsvondige of vernieuwende vorm heeft meegekregen. Akkoord, bij Laat ons nu vermaarde mannen prijzen (James Agee, typografie en vormgeving: Monique Boot en Menno Landstra) staat de "flaptekst' op de rug. “Dat hadden wij nog niet gezien,” meldt het juryrapport terecht. Maar daar houdt het dan ook mee op. En natuurlijk komen de prachtige gedichten van Leonard Nolens goed tot hun recht in de schitterend klassiek vormgegeven verzamelbundel Hart tegen hart (typografie en vormgeving: Jaap Meijer en Harry N. Sierman), en uiteraard: het komt in de eerste plaats op de gedichten aan. Maar... zouden die gedichten niet nog meer tot hun recht komen in een unieke, speciaal voor Nolens ontworpen vorm? Soms is iets klassieks, hoe goed ook uitgevoerd, een gemakkelijke oplossing. Het vertegenwoordigt geen enkel risico. Maar tja, geef de uitgever eens ongelijk. Poëzie slijten is al moeilijk genoeg. Het is zoals de jury zelf deemoedig opmerkt: “Bijna 500 pagina's poëzie op dundruk, mooi gezet en gedrukt, met een even verzorgde band en stofomslag, en dat voor vijftig gulden - dat verdient een prijs.”

Het bezoeken van de tentoonstelling zou saai zijn, indien het beperkt bleef tot het alleen maar bekijken van bekroonde boeken in vitrinekasten. Gelukkig hebben de organisatoren dat ingezien en hebben ze ook een paar tafels voorzien waarop de boeken per exemplaar ter inzage liggen. Ze worden daardoor wel verminkt: ze kregen een plaatje aan hun rug vastgelijmd waaraan een touw zit dat hen aan de muur ketent. Geen onnutte maatregel, zolang er geen subsidiepot bestaat waardoor alle bezoekers van alle bekroonde boeken één exemplaar mee naar huis krijgen. Ik had het geluk de tentoonstelling reeds de tweede dag te kunnen bezoeken. Ik moet er niet aan denken hoe al die prachtige boeken eruit zullen zien nadat ze door duizenden handen zijn betast, opengeslagen, doorbladerd. Dat is natuurlijk het dilemma van dit soort tentoonstellingen: het exposeren vernielt het geëxposeerde. Ik kan de bibliomaan dan ook maar één aanbeveling geven. Spoedt u naar het Stedelijk, nog voor deze innemende tentoonstelling zichzelf zal hebben opgeheven.