En dan nu dijkverlaging

In plaats van de rivierdijken te verhogen, kan men ze ook verlagne - op plaatsen waar overstromingen geen kwaad kan. Deze overlaten nemen een deel van het wassende water op. Bij de monding van de IJssel blijkt deze oplossing zeker mogelijk. Nu nog de grote rivieren doorrekenen.

Nederland kan zich beschermen tegen hoogwater door land te laten overstromen. Deze paradox vormde het uitgangspunt van een onderzoek naar overlaatsystemen, dat aan het Centrum voor Milieukunde te Leiden is uitgevoerd.

Een overlaat is een verlaging in de dijk, bedoeld om overtollig rivierwater zijdelings af te voeren. Het water stroomt daarbij over een beperkt stuk land. Doel is om bij een extreem hoge waterstand een beheerste overstroming te veroorzaken, zodat zwakke dijktraces elders ontlast worden.

Er zijn veel soorten overlaten. Het overtollige water kan tijdelijk in het gebied worden geborgen om later weer op de rivier geloosd te worden (retentiebekken), maar ook kan het water worden afgevoerd naar een gedeelte benedenstrooms waar dit water wel verwerkt kan worden (groene rivier). Inlaat en uitlaat kunnen al dan niet gereguleerd zijn.

Overlaatsystemen kunnen een alternatief vormen voor dijkverzwaring. In de discussie over dijkverzwaring wordt tot nog toe nauwelijks aandacht besteed aan dergelijke alternatieven. Gediscussieerd wordt over argumenten vóór of argumenten tegen dijkverzwaring, of over de normen die Rijkswaterstaat hanteert bij het ontwerpen van dijken. Alternatieven voor dijkverzwaring lijken niet te bestaan.

De vroege bewoners van Nederland woonden in een moerasachtige rivierdelta. Als bescherming tegen het water werden huisterpen opgeworpen. Pas vanaf 1000 na Chr. vond bedijking plaats. Vier eeuwen later was er sprake van een min of meer aaneengesloten dijksysteem langs de grote rivieren.

Daarna is er nog veel veranderd. Vroeger vonden overstromingen vooral plaats in het vroege voorjaar, als de rivieren sneller gingen stromen door smeltwater. Kruiend ijs vormde bij vernauwingen ijsdammen waardoor aan het water de weg versperd werd. In Rusland met zijn landklimaat en noordwaarts stromende rivieren is dit regel. In West-Europa kwam het slechts af en toe voor en tegenwoordig nauwelijks meer: de temperatuur van het Rijnwater is hoger geworden door koelwater van centrales en fabrieken en door meteorologische oorzaken.

Verder zijn bij rivier- en beeknormalisaties de meanders en overstromingsvlakten weggenomen, zodat het water van de zijrivieren zonder buffer in de Rijn terecht komt. Wel zijn er in sommige rivieren stuwen en sluizen verschenen, die het water enigszins kunnen vasthouden.

Ontbossing heeft ook grote gevolgen voor de waterhuishouding. Bossen verdampen niet alleen een groot deel van de regen, maar houden ook het bodemwater lang vast. Zonder bossen wordt neerslag rechtstreeks afgevoerd.

Verstedelijking en een verbeterde afwatering ten behoeve van de landbouw hebben geleid tot een snellere afvoer van regenwater, met plotselinge en hogere piekafvoeren. Hoe ingrijpend dit effect kan zijn zien we in het klein bij het Naardermeer. De zandgronden van het Gooi leverden vroeger het kwelwater van het Naardermeer. Maar door alle dakgoten, regenpijpen en wegverharding gecombineerd met straatputten wordt de regen voor een groot deel via het riool afgevoerd. Het Naardermeer krijgt nu gezuiverd rivierwater. In het groot is het effect te zien bij de Rijn. Het zijn nu de zomerregens die de grootste overlast veroorzaken. Het water van de Duitse steden en landbouwgebieden wordt onvertraagd in de Rijn geloosd.

De Commissie Rivierdijken concludeert in 1977 dan ook: "Door menselijk ingrijpen in het stroomgebied van de Rijn (bebouwing, waterhuishoudkundige maatregelen) zal in het algemeen de neerslag sneller worden afgevoerd, waardoor in de toekomst waarschijnlijk moet worden gerekend op een hoogwatergolf met een steiler verloop en een hogere top.' Tot internationale stappen - verzoeken tot bijbetaling aan de waterstaatkundige aanpassingen - heeft dit echter niet geleid. De Rijnverdragen gaan over vervuiling, niet over de waterhoogten.

Valt er dus niet te ontkomen aan dijkverhoging? Frans Klijn, onderzoeker bij het Centrum voor Milieukunde te Leiden en begeleider van de projectgroep Overlaten pleit in het artikel "Overlaten en Groene Rivieren: Geschiedenis of Toekomst?' (H2O 1992 nr.10) voor een andere houding in het waterbeheer. In plaats van het huidige "weerstandsmodel' zou een "veerkrachtmodel' gehanteerd moeten worden, waarbij het water een zekere ruimte wordt geboden, zodat het zijn kracht verliest.

Beerse overlaat

Het idee van overlaatsystemen is niet nieuw. Vanaf de zeventiende eeuw zijn overlaten al een officieel instrument in het beleid. In het rapport "Van Rechte Dijk naar Groene Rivier' van R. Havinga et al. (1991) wordt een historisch overzicht gegeven van overlaatsystemen in Nederland. Het blijkt dat in de loop der tijd langs alle grote rivieren overlaten zijn aangelegd, voornamelijk met niet-reguleerbare in- en uitlaten. In totaal zijn er in Nederland ongeveer 40 overlaten geweest, met een achterland variërend van enkele tot meer dan honderd vierkante kilometer.

Het bekendste voorbeeld is de Beerse overlaat, berucht vanwege de wateroverlast die hij veroorzaakte in 's Hertogenbosch. Deze overlaat bestond vermoedelijk al voor de zestiende eeuw, en maakte deel uit van een complex stelsel van overlaten tussen Maas en Waal. Als het water in de Waal te hoog kwam, werd het via de overlaten van Dreumel, Heerenwaarden en Rossum omgeleid naar de Maas. De Maas kreeg hierdoor veel water te verwerken. De Beerse overlaat en de overlaten van Bokhoven en Vlijmen werden aangelegd om het teveel aan water weer weg te leiden.

Evenals de Beerse overlaat zijn de meeste overlaten aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw gesloten of buiten werking gesteld. Toen de bebouwing en het gebruik van het landelijk gebied toenam, en het versterken van dijken technisch gezien minder problemen opleverde, werd de maatschappelijke acceptatie van overstromingen steeds kleiner. De aanpassing aan overstromingen maakte plaats voor een gewenning aan "droge voeten'.

De laatste jaren worden er echter opnieuw overlaatsystemen verschenen. Enkele kleinschalige systemen zijn aangelegd langs onder meer de Aaltense Slinge, de Berkel, de Dommel, de Beerze en enkele Limburgse beken. Naast een bergingsfunctie hebben deze overlaatsystemen vaak een recreatieve of natuurfunctie. Grotere overlaten zijn opnieuw opgenomen in beheersplannen, en leiden daar een passief bestaan, zoals de Dalemse overlaat die als uitlaat fungeert na een doorbraak van de Waal- of Lekbandijk.

Deze nieuwe ontwikkelingen in het waterbeleid hebben tot doel een duurzaam beheer tot stand te brengen van de kwaliteit en kwantiteit van watersystemen. Dit gebeurt in het kader van het zogenaamde "integraal waterbeheer', een term die afkomstig is uit de notitie Omgaan met Water (Min. V&W, 1985) en de Derde Nota Waterhuishouding (Min. V&W, 1989). In deze beleidsstukken wordt gesteld dat integraal waterbeheer naast "waterverdeling' en "waterbescherming' tevens "richting geeft aan en creatief gebruik maakt van de eigenschappen en natuurlijke ontwikkelingen van watersystemen'.

Voor ontwikkeling van natuurwaarden sluiten overlaatgebieden goed aan bij initiatieven zoals het "Plan Ooievaar'. Een nadeel is dat zomeroverstromingen veel minder gunstig voor de natuur zijn dan overstromingen 's winters, als de meeste planten als zaad overblijven.

Taschenpolder

In het buitenland zijn soortgelijke ontwikkelingen gaande. In Duitsland overweegt men langs de Rijn grote retentiebekkens, zogenaamde "Taschenpolder', aan te leggen. Tevens zijn er vergevorderde plannen om in de voormalige overstromingsvlakten de oude situatie te herstellen door de dijken verder van de rivier te leggen. Voor Nederland kan dit zeker gevolgen hebben.

Critici van het overlaat-idee menen echter dat overlaatsystemen geen substantiële bijdrage kunnen leveren aan beveiliging tegen hoogwater op de grote rivieren. De oppervlakten land die onder water zouden komen te staan, zouden te groot zijn. Zo oordeelde de Commissie Rivierdijken in 1977 dat voor overlaatsystemen een oppervlakte van meerdere honderden vierkante kilometers nodig was om een gewenste verlaging van hoogwaterstanden in de grote rivieren te bewerkstellingen. Dat is dus een gebied van minstens 10 bij 10 kilometer, een deel van de Betuwe. Hierbij werden echter geen aanvullende maatregelen in Duitsland in overweging genomen. Ook werd geen combinatie van beperkte dijkverhogingen, verlaging van het rivierbed en overlaatsystemen onderzocht.

Keersluis

Maar wat is een overlaatsysteem waard? Om de mogelijkheden te onderzoeken besloot de projectgroep Overlaten Leiden een proefplan uit te werken. De keuze viel daarbij op de Overijsselsche Vecht. Wat is het geval?

Het stroomgebied van de Overijsselsche Vecht, het Zwarte Water en het Zwarte Meer, is nu onderwerp van studie bij Rijkswaterstaat. Er worden voorbereidingen getroffen voor de aanleg van een keersluis en omvangrijke dijkverzwaringen. Uit een rapport van Rijkswaterstaat uit 1986 blijkt dat een storm op het IJsselmeer in combinatie met hoge afvoer van IJssel en Vecht leidt tot hoge waterstanden. Er bestaat gevaar voor overstromingen tot in de stadskern van Zwolle. In een milieu-effectenrapportage uit 1988 werd daarom voorgesteld om de keersluis bij Ramspol te bouwen. De aanvullende werken bestaan voornamelijk uit dijkversterkingen. Om inzicht te krijgen in de effecten hiervan wordt nu een tweede milieu-effectrapportage uitgevoerd.

De vrees bestaat namelijk dat door de keersluis de dynamiek zal verminderen, wat grote gevolgen heeft voor de natuur van het gebied. De uiterwaarden, slikken en platen komen nu afwisselend onder water staan en vallen weer droog. Zo is er 450 ha. waardevol grasland in de uiterwaarden, waarvan circa 90% unieke kievitsbloemgraslanden. Er is een internationaal belangrijke pleister- en overwinterplaats voor zwanen, zwemeenden en steltlopers. Aanleg van een keersluis zal dit alles vrijwel zeker ongunstig beïnvloeden. En er geldt hetzelfde als bij de grote rivieren: dijkverzwaring gaat gepaard met een verlies aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden. De kronkelige bandijk langs het Zwarte Water, met de vele kolken en wielen, en met de talloze oude monumenten, zal voor een groot deel verdwijnen onder kaarsrechte dijken.

Een belangrijke beslissing van de projectgroep Overlaten is geweest om aan te sluiten bij de gangbare veiligheidsbenadering. De huidige veiligheidsnormen gelden weliswaar alleen voor grote gebieden, en laten de gevolgen van een inundatie op kleinere schaal buiten beschouwing, maar de projectgroep heeft toch gekozen voor de gangbare veiligheidsnormen voor overschrijdingsfrequenties om een goede vergelijking met de alternatieven uit de MER mogelijk te maken (zie kader).

Er werd een computermodel gemaakt, dat de situatie vereenvoudigd weergeeft. Hiermee kon de invloed van een overlaatsysteem op de waterstanden op het Zwarte Meer, het Zwarte Water en de Overijsselsche Vecht berekend worden. Aangetoond werd dat een overlaatsysteem het Maatgevend Hoog Water (MHW) met 0,57-0,65 meter kan verlagen, waardoor minder dijkversterkingen nodig zijn. Ook kan de overlaat sluiting van de keersluis meer dan zeven uur uitstellen, wat soms genoeg is om sluiting van de keersluis te voorkomen. In combinatie met de keersluis volstaat een oppervlakte van 22 km² overlaatgebied hiervoor.

Vier alternatieven

In het onderzoek zijn vier extreme alternatieven uitgewerkt. Voor het eerste alternatief, gericht op dijkbehoud, kan de inundatiefrequentie eens per vijf eeuwen zijn. In dit geval zijn er nauwelijks beperkingen voor het grondgebruik.

Voor het tweede alternatief, gericht op beïnvloeding van de sluitingsfrequentie van de keersluis, is de inundatiefrequentie gesteld op gemiddeld eens per vijf jaar. Beide alternatieven zijn in het onderzoek uitgewerkt voor het nevendoel natuurontwikkeling, waarvoor een inundatiefrequentie van 1/1 per jaar optimaal is.

Wanneer het land elke vijf jaar of jaarlijks onder water staat, dan zal men het gebruik van de grond daarop moeten afstemmen. In het onderzoek zijn de mogelijkheden voor natuurontwikkeling onderzocht, die hoort bij een riviervlakte. Het gehanteerde streefbeeld gaat uit van een uitbreiding van de natte Ecologische Hoofdstructuur. Het areaal met rivierinvloed kan bijvoorbeeld worden uitgebreid, waardoor zich vegetaties van natte en vochtige standplaats ontwikkelen. In dat geval zal een grote oppervlakte aan broekbos-, rietland- en moerasvegetatie ontstaan, die verschillende successiestadia doorloopt. Deze winst aan natuurwaarden staat in groot contrast tot het verlies, dat zal optreden wanneer keersluis en dijkversterkingen volgens de gangbare plannen uitgevoerd worden.

Ten slotte is onderzocht wat de juridische, beleidsmatige en financiële voorwaarden zijn voor aanleg van een overlaatsysteem. Juridisch blijkt dat aanleg van overlaatsystemen mogelijk is. De Wet op de Waterkering (die nog ter behandeling bij de Kamer ligt) is hierbij van belang. Deze wet koppelt de normen voor overschrijdingsfrequenties van het MHW aan het begrip "dijkring'. Dit heeft tot gevolg dat de dijk rond het overlaatgebied beschouwd zal moeten worden als hoofdwaterkering, met bijbehorende normen.

Beleidsmatig werpen noch de nationale, noch de provinciale beleidsplannen onoverkomelijke belemmeringen op. In het Ontwerp Waterhuishoudingsplan Overijssel en het Voorontwerp Streekplan, beide uit 1991, wordt de mogelijkheid geopperd om gebieden te ontpolderen en landelijk gebied te laten inunderen, voor het waterbeheer of voor natuurontwikkeling.

De kosten van aanleg en onderhoud van overlaatsystemen blijken sterk afhankelijk te zijn van de inundatiefrequentie en bijbehorende inrichting. In het meest extreme geval, wanneer de landbouw volledig wordt uitgekocht, zijn de kosten ruim twee maal zo hoog als die van de voorgenomen activiteiten uit de MER. In het gunstigste geval zullen de kosten even hoog uitvallen.

Met de resultaten van dit onderzoek hoopt de projectgroep een voorbeeld gegeven te hebben voor het waterbeheer in Nederland. Behalve de keuze: óf dijkverzwaringen, óf overstromingen, bestaan er ook nog bruikbare alternatieven. Nu de tijd is aangebroken dat er landbouwgronden uit productie genomen gaan worden, en dat de hernieuwde aandacht voor de natuur tot in het beleid is doorgedrongen, is het een goed moment om deze alternatieven opnieuw op hun waarde te beoordelen.

Cats, J. e.a., 1992: Overlaat als Toeverlaat: mogelijkheden voor Overlaatsystemen in West-Overijssel. Studierapporten UBM no.1992/3, Centrum voor Milieukunde Leiden.

Commissie Rivierdijken, 1977: Rapport van de Commissie Rivierdijken. 's-Gravenhage.

Havinga, R., V. Loeffen & W. van der Slikke, 1991: Van rechte dijk naar groene rivier: Het overlaatsysteem als milieuvriendelijk alternatief voor dijkverzwaring. Studentenrapport Centrum voor Milieukunde, Leiden.

Havinga, R., F. Klijn, V. Loeffen & W, van der Slikke: Overlaten en Groene Rivieren: Geschiedenis of Toekomst? In: H2O (25) 1992, 10. pp.248-254.

Rijkswaterstaat, Directie Zuiderzeewerken, 1986a: Veiligheidsnormen Dijken IJsselmeer. DBW/RIZA.

Stuurgroep Ramspol, 1988: Beleidsanalyse/Milieu-Effectrapport Ramspol ten behoeve van de beveiliging van West-Overijssel. PRA-R-88180, SSWB-R88003. Bijschriften foto's:Veiligheidsnormen voor dijken.

De totstandkoming van de veiligheidsnormen voor rivierdijken is als volgt. Op basis van waterstanden, die zijn gemeten in het verleden, extrapoleert men de kans op waterstanden, die nog nooit zijn voorgekomen. Men beslist arbitrair wat een aanvaardbare kans op overschrijden van een bepaalde waterstand is; dit is de overschrijdingsfrequentie van het Maatgevend Hoogwater (MWH). MHW is dus een ontwerpwaterstand, die hoort bij een gekozen hoogwater-overschrijdingsfrequentie. MHW is het uitgangspunt voor het ontwerpen van waterkeringen in het kader van de Deltawet en in de komende Wet op de Waterkeringen. Men houdt bij het ontwerpen ook rekening met opwaaiing en golfoploop, waardoor de dijken vaak 1 tot 1,5 meter hoger zijn dan het MHW. De basisnormen voor overschrijdingsfrequenties zijn:

1/10.000 per jaar voor zeedijken die de sociaal-economisch belangrijkste gebieden beschermen tegen de zee (Randstad, grote steden).

1/4.000 per jaar voor zeedijken die de sociaal-economisch minder belangrijke gebieden beschermen tegen de zee, voor de IJsselmeerpolders en West-Friesland.

1/2.000 per jaar voor de waterkeringen van een aantal Waddeneilanden, Friesland, IJsseldelta en de gebieden langs het Zwarte Meer en omgeving.

1/1.250 per jaar voor de rivierdijken langs de Rijntakken en de Maas.

1/1.000 per jaar voor de Oostvaardersdijk en de dijken van Marken.

Regionale afwijkingen van de normen worden in theorie niet mogelijk gemaakt. In de praktijk wijkt de huidige situatie echter sterk af van de beoogde. Zo hebben de dijken van de buitenpolders bij het Zwarte Meer momenteel een overschrijdingskans van 1/30 per jaar.

    • Henk Groenewoud