"EG-conjunctuurbeleid is nodig'; Witteveen: Europa van twee snelheden is enig realistische

WASSENAAR, 15 OKT. “Wanneer het verdrag van Maastricht niet wordt geratificeerd, moet er een kopgroep van Europese landen komen die op korte termijn een monetaire unie vormt. Als dat niet gebeurt, zullen we telkens weer enorme verstoringen op de valutamarkten krijgen.” Dit zegt oud-minister van financiën dr. H.J. Witteveen aan de vooravond van het Europese spoedberaad , onder meer over de monetaire malaise, dat vrijdag in het Britse Birmingham wordt gehouden.

De internationaal ervaren econoom, voormalig directeur van het Internationale Monetaire Fonds en president-commissaris bij de ING Groep (NMB, Postbank, Nationale Nederlanden) volgt de schermutselingen op het valutafront op de voet. Immers, de toekomst van het Europees Monetair Stelsel (EMS) staat op het spel. Zal het EMS overleven, komt er een kleine kerngroep van landen die het voortouw neemt of valt het hele stelsel uit elkaar?

Witteveen is er duidelijk over: “Twee snelheden in Europa is het enig realistische. Dat is ook in het verdrag van Maastricht ingebouwd, al mag dat niet hardop worden gezegd. De Britten zullen niet gauw terugkeren in het EMS. Maar landen als Duitsland, Frankrijk, de Benelux, misschien ook Denemarken, Oostenrijk - zodra het lid is van de EG - hebben stabiele valuta's en zijn er psychologisch en politiek klaar voor. Zodra een kerngroep een monetaire unie heeft gevormd, trekt dat andere landen aan die erbij willen horen.”

“Kijk, het nationale concept is verouderd”, zegt Witteveen in zijn studeerkamer in Wassenaar. Aan de wand kijkt zijn Oosterse inspiratiebron, de soefi-leider Inayat Khan uit over een Hollands weiland. “Het merkwaardige en ongelukkige van de referenda in Denemarken en Frankrijk over het verdrag van Maastricht is, dat er veel proteststemmen waren. En de meeste mensen willen de dingen laten zoals ze zijn, in de vertrouwde nationale context. Maar de wereld verandert. Regeringen, en zeker die van kleine landen, kunnen nauwelijks meer een eigen economisch en monetair beleid voeren.” Volgens Witteveen was het een vergissing naast een monetaire ook een politieke unie in het vooruitzicht te stellen. “Lang niet iedereen is daar al aan toe.”

Zijn de Britten terecht bang belangrijke wapens om de economie te sturen uit handen te geven, zoals de rente en de wisselkoers?

“De vrijheid om een eigen onafhankelijk monetair beleid te voeren is toch heel gering geworden. Bovendien staan er veel voordelen tegenover. De recente valutacrisis bewijst dat je niet halverwege het proces moet blijven stilstaan. Juist de overgangsfase naar een Europese monetaire unie is lastig. De ontwikkelingen in Europa zijn niet overal parallel. Lopen de kostenstijgingen uiteen dan moet de wisselkoers worden aangepast. In een unie kun je de kosten niet meer uit de hand laten lopen en met de wisselkoers corrigeren. Het dwingt tot discipline ten aanzien van inflatie.

“De ontwikkeling naar een monetaire unie is moeilijk meer tegen te houden gezien de vrijheid van kapitaalbewegingen. Het opheffen van de beperkingen op Europese kapitaalbewegingen twee jaar geleden was een belangrijke stap op weg naar monetaire integratie. Ook een gevaarlijke stap; men heeft er misschien niet genoeg bij stilgestaan dat het EMS daardoor kwetsbaar wordt en tot veel meer beleidsaanpassingen dwingt. De kapitaalmarkten zijn nu zo geperfectioneerd dat binnen enkele minuten met gigantische kapitalen een aanval op een valuta kan worden ondernomen. Die kapitaalbewegingen zijn oncontroleerbaar. Ook zijn controles ongewenst omdat die kapitaalbewegingen een belangrijke rol spelen bij het intergreren van de wereldeconomie.

“De omvang van de kapitaalbewegingen laat niet meer toe dat zuiver nationale overwegingen de doorslag geven in de monetaire politiek. Dat hebben de Duitsers wel gedaan. De wijze waarop de Duitse eenwording is doorgevoerd heeft tot zeer hoge begrotingstekorten geleid. Om de daardoor ontstane inflatie tegen te gaan en druk uit te oefenen om het tekort terug te brengen, houdt de Bundesbank de rente hoog. Dat trekt grote kapitaalstromen aan waardoor spanningen op de Europese valuta's zijn veroorzaakt. Andere EMS-landen komen dan voor het dilemma óf hun eigen rente hoger te houden dan bij de eigen economische situatie past óf de wisselkoers aan te passen. Met het oog op de toekomstige monetaire unie heeft men dit laatste niet gewild. Maar landen in een zwakke economische situatie zoals Italië en Engeland zijn daar nu door de markt toe gedwongen.

“Het alternatief is zwevende koersen. Dan heb je een dollar die de ene periode twee keer zo hoog is als in een andere periode. Dat is een geweldig verstorend element. In dit geval ging het dan nog om Amerika tegenover Europa, twee economieën die ver uit elkaar liggen. Maar binnen Europa zijn dergelijke schommelingen zeer schadelijk voor de markten. Het vertrouwen in de economische perspectieven krijgt een schok. Bedrijven gaan minder investeren omdat niemand meer weet wat de concurrentieverhoudingen tussen landen zullen worden.”

Wat gebeurt er als Duitsland en Frankrijk het niet eens worden over de vorming van zo'n kleine kerngroep die alvast een monetaire unie gaat vormen?

“Ja, dan moeten we doorgaan met die ene markt die we dan hebben. Dat is geen ramp. Het is niet zo dat we zonder monetaire unie niet voortkunnen. We hebben op zichzelf al een groot succes als die enorme markt volgend jaar gerealiseerd wordt. De Europese markt zal dan meer één zijn dan de Amerikaanse want de verschillende staten hebben nog veel aparte regelingen. In dat geval moeten we wel proberen het EMS weer zo te laten functioneren als vroeger toen er veel meer tijdige aanpassingen van wisselkoersen mogelijk waren.”

Moet de Bundesbank niet haar beleid gaan aanpassen?

“De conjunctuur gaat omslaan in Duitsland. Er begint zich al een recessie te ontwikkelen en als die doorzet, zal de Bundesbank de rente moeten verlagen. Het kan nog maanden duren, maar het moet gaan gebeuren.

“Nederland zal door de neergang van de Duitse economie worden meegezogen. Dat merk je nu al. De uitvoer zal minder stijgen, net als de werkgelegenheid. Investeringen zullen verminderen. Eigenlijk zou er een anti-cyclisch begrotingsbeleid moeten worden gevoerd.

“Als minister van financiën heb ik in 1972 de wet op de wiebeltax ingevoerd waarbij een aantal belastingtarieven in perioden van tragere groei tijdelijk kan worden verlaagd om de economie te stimuleren. Als de conjunctuur weer aantrekt kunnen de normale tarieven worden hersteld. Het is buitengewoon jammer dat dit instrument om de economie te beïnvloeden niet meer wordt gebruikt. Politici in Den Haag zitten altijd met die koopkrachtplaatjes te millimeteren. De invloed van een wiebeltax op die plaatjes is verstorend, dus doet men er niets mee. De vervroegde afschrijvingen en investeringsaftrek waren eveneens nuttige conjuncturele instrumenten. Die zijn ook verdwenen.

“Nu heeft minister Kok geen enkel instrument meer als de economie achteruit gaat. Onze rente wordt al door Duitsland bepaald. We kunnen vrijwel niets meer doen dan machteloos een recessie ondergaan.

“Als er een monetaire unie komt zou er in bepaalde mate een anti-cyclische begrotingspolitiek op Europees niveau moeten worden toegepast. De EG zou conjunctuur-politieke instrumenten moeten krijgen om bij voorbeeld de belastingen in de hele gemeenschap te verhogen of te verlagen.”

Hier spreekt de echte Keynesiaan? “Ja, ja. Zijn theorie is mijns inziens nog altijd in grote trekken juist.”

    • Michèle de Waard