De Zwarte Ridder van de rock'n'roll; Keith Richards in Biography

Het jaar was 1964, de Britse beat-groep The Rolling Stones maakte de eerste toernee door de Verenigde Staten. Dat was opwindend genoeg, maar vóór alles moest er een bezoek worden gebracht aan de Chess-studio in Chicago. Daar immers namen grondleggers als Chuck Berry en Howlin' Wolf hun platen op, de muziek die door de Stones zo geraffineerd werd geparafraseerd.

Eenmaal binnen viel de mond van gitarist Keith Richards open van verbazing. Hij trof er een grote, zwarte man in een overall, geheel onder de kalkspatten. Het was Muddy Waters. De Muddy Waters. Aan zijn muziek ontleenden de Rolling Stones note bene hun naam. “Hij stond daar doodleuk het plafond te witten, omdat in die tijd geen hond zijn platen kocht”, herinnerde Richards zich later. “Daar krijg je toch een hartverzakking van? Muddy Waters, de koning van de blues, in zijn hand een pot verf.”

Het zijn dit soort verhalen, waarmee het deze week verschenen boek Keith Richards. The Biography (Poseidon Press, ƒ 50,15) vol staat. Iedereen kent hem als de gitarist die er uitziet alsof hij elk moment naar de intensive care afdeling van een ziekenhuis moet worden gebracht. In werkelijkheid vormde zijn spel hart en ziel van de langst levende rock'n'roll band ter wereld. De Amerikaanse journalist Victor Bockris herkende deze ommissie. Met Richards' levensschets komt hij beduidend verder dan de wijdverspreide opvatting dat het hier de “most elegantly wasted human being” sinds Errol Flynn betreft.

Het omslag van het boek is direct al veelbelovend. Keith Richards (Dartford, 1943) kijkt ons aan met die diabolische grijns, om zijn vinger een ring met doodskop. Moeilijk voorstelbaar dat deze doorgroefde verschijning, als jongetje altoos op de vlucht was voor de school-binken. Tijdens de lange jaren op de Technische School beleefde Richards zijn eerste proeve van showbizz. In het jongenskoor, als hemelse sopraan. Het "Hallelujah' uit Händels Messias moet ten overstaan van een zojuist gekroonde Elizabeth II in de Royal Albert Hall prachtig hebben geklonken.

Die koorcarrière werd geknakt door de baard in de keel. Gelukkig maakte de vanuit Amerika overwaaiende muziek van Chuck Berry, John Lee Hooker en Little Richard alles weer goed. De jonge Keith had nog grote flaporen, maar door bemiddeling van zijn opa Gus Dupree had hij precies op tijd de liefde voor de gitaar opgevat. “Rock and roll hit England like Hiroshima”, verduidelijkt hij. Bovendien was de muziek een mooi excuus om een bozige blik en dito gedrag te cultiveren. Toen hij op school niet langer te handhaven bleek, restte er nog dan ook nog maar één uitweg: de kunstacademie.

Net zomin als academiestudenten John Lennon en Pete Townsend was Richards aankomend meester in de schone kunsten. In het na-oorlogse Engeland was de leerplicht tot vijftien jaar opgetrokken; kunstacademies ontpopten zich als laatste poort voor de tuchtschool. Op het Sitcup Art College, halverwege Dartford en Londen, ontmoette Keith Richards zijn geestverwanten, met name collega-gitarist Brian Jones. Vanuit de London School of Economics voegde Mick Jagger zich bij hen, en de geschiedenis kon zijn loop nemen. Of, zoals de auteur fijntjes opmerkt: “Wanneer je emotioneel kreupelen bij elkaar zet, blijken de resultaten vaak indrukwekkend.”

Bepaald evenwichtig is de levenswandel van Keith Richards niet. Zijn nieuwsgierigheid naar het effect van alcohol en drugs zetten hem jarenlang op de eerste plaats van de rock'n'roll-dodenlijst, een positie die hij moest delen met Lou Reed. Zijn geestverruimende experimenten werden gedreven door dezelfde obsessie waarmee hij zich ooit de gitaarstijl van Chuck Berry eigen had gemaakt. Die zelfdestructie bleek ook uit zijn rijgedrag. Met zijn Bentley, voorzien van vlaggetjes van de Turkse diplomatieke dienst, crashde hij menigmaal tegen muur of boom. Daarna voorzag hij zich van een verlengde Mercedes, waarvan het gerucht ging dat deze nog aan Hermann Goering had toebehoord. Ook die reed hij met gemak total loss. Toch wist Richards op wonderbaarlijke wijze alle calamiteiten te overleven, en niet alleen omdat hij zijn bloed regelmatig in een Zwitserse privé-kliniek liet schoon spoelen. Hij gold als de Zwarte Ridder van de popmuziek, het werd een rol waarin hijzelf nog het meest ging geloven.

De fans vonden het prachtig, maar zakelijk maakte zoveel bravoure geen indruk. Eerst werden de Rolling Stones door hun platenmaatschappij Decca zwaar getild. Tussen 1963 en 1965 verdiende de groep miljoenen dollars voor de maatschappij, maar ontving Keith Richards vijftig pond per week. Als oplossing werd de keiharde Amerikaanse zakenman Allen Klein ingehuurd. Het resultaat was klassiek: door de kleine lettertjes niet te lezen, raakten de Rolling Stones de rechten over de gehele catalogus tussen 1963 en 1969 kwijt, waaronder al de persoonlijke Stones-favorieten van Richards (nummer een: Jumpin' Jack Flash). Om orde op zaken te stellen betrok Mick Jagger vervolgens ene Prins Rupert Ludwig Ferdinand zu Loewenstein-Wertheim-Freudenberg bij de zaak - Beierse aristocratie. Het eigen Rolling Stones-label werd opgericht, daarbovenop een fijnmazig netwerk van fiscaal voordelige BV's, en de prins slaagde erin de groep van bankroet naar een saldo van naar schatting 50 miljoen dollar per persoon te tillen. Onlangs, ver over het hoogtepunt heen, sloten de Rolling Stones in 1991 een lucratief contract met platenmaatschappij Virgin af: drie nieuwe albums, voorschot 45 miljoen dollar.

Wat goed uit dit boek blijkt, is hoe het financieel gewin Keith Richards nooit bovenmatig heeft kunnen interesseren. Het geld liet hij over aan Mick Jagger. Zijn eigen zorg betreft nog steeds de muziek. En als dat door hoog oplopende artistieke meningsverschillen (“Mick streeft alleen maar naar eeuwige jeugd!”) met de Rolling Stones even niet wilde vlotten, bedacht hij gewoon iets anders. Zijn hommage aan en zijn werk met Chuck Berry, vereeuwigd in de film Hail! Hail! Rock'n'Roll, behoort tot zijn allerbeste werk. Zo ook zijn quotes, waaromheen de biografie is gebouwd. Toen de cultuurfilosofische duiders aller dingen aanstalten maakten om de Rolling Stones, qua historische betekenis, op eenzelfde voetstuk als Shakespeare en Dickens te plaatsen, liet Richards weten van deze academische interesse niet gediend te zijn. “Die lui zijn levensgevaarlijk,” voorspelde hij zonder omhaal. “Voor je het weet worden we zomaar respectabel.”