DE GEZONDHEIDSRAAD

R.B.M. Rigter. Met raad en daad. De geschiedenis van de Gezondheidsraad 1902 - 1985. Rotterdam, Erasmus Publishing 1992, 496 blz. ƒ ƒ97,50. ISBN 90.5235.039.6 Promotie Erasmus Universiteit Rotterdam, 23 september. Promotor Prof.dr. M.J. van Lieburg.

Op 2 oktober kwam de Gezondheidsraad voor de tweede maal plenair bijeen. De eerste keer dat dit gebeurde was in oktober 1920, toen de Raad door Minister Aalberse geïnstalleerd werd. Slapend kan het bestaan van de Raad echter nauwelijks genoemd worden, want tussen 1920 en 1992 werden zo'n 1400 adviezen aan de regering uitgebracht over "de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het terrein van de volksgezondheid'.

Een van de eerste adviezen had betrekking op de bestrijding van de handel in opium, een van de laatste tot nu toe op de medische aspecten van seksueel misbruik van kinderen.

De Gezondheidsraad telt een kleine 200 leden, in meerderheid wetenschappers van naam op het gebied van de geneeskunde, de gezondheid, de gezondheidszorg en het milieu. De leden vertegenwoordigen niets, behalve zichzelf en hun deskundigheid, en worden ook niet afgevaardigd, maar benoemd. De Gezondheidsraad "leeft' in zijn commissies, de enkele tientallen gezelschappen van leden en niet-leden van de Raad die zich gedurende één of twee jaar over een adviesaanvrage van de regering buigen en na het uitbrengen van het advies weer ophouden te bestaan. Boven de commissies staan de voorzitter, nu oud-minister Ginjaar, de vice-voorzitter (mevrouw Borst-Eilers) en de secretaris, wiens jongere broer nu gepromoveerd is op de geschiedenis van de Gezondheidsraad. Zijn boek was het cadeau van de voorzitters aan alle leden van de Raad en zijn commissies.

Het boek is positief over de Raad, eigenlijk vooral over de kwaliteit van de adviezen van de Raad en de invloed die deze hebben op wetgeving, beleid en praktijk, maar laat er geen twijfel over bestaan dat de geschiedenis van de Raad allerminst gemakkelijk is geweest. Alleen al financieel heeft de Raad het in het grootste deel van zijn bestaan zeer moeilijk gehad. Veel geld had de overheid meestal niet over voor de Raad en in de jaren tussen de beide wereldoorlogen was op een gegeven moment zo'n 90% van het budget wegbezuinigd. Even was er zelfs niet meer voldoende geld om een goede voorzitter aan te kunnen trekken.

René Rigter heeft voor een voornamelijk chronologische beschrijving van de geschiedenis van de Raad gekozen en daarbij vooral veel aandacht gegeven aan de inhoud en strekking van de adviezen. Gezien het enorme aantal van de adviezen en hun bovendien vaak enorme omvang - sommige adviezen zijn tot volumineuze naslagwerken uitgegroeid, met honderden literatuurverwijzingen en soms zeer gedetailleerde aanwijzingen voor de praktijk - was het onmogelijk ieder advies apart tot zijn recht te laten komen. Rigter heeft gekozen voor een beperkt aantal thema's, waar de Raad gedurende zijn hele of een belangrijk deel van zijn bestaan met regelmaat over geadviseerd heeft. Hoewel van een theoretische uitdieping geen sprake is, ontstaat door de keuze voor een beperkt aantal thema's toch de nodige diepte. Sommige vraagstukken blijken over de jaren heen steeds weer opnieuw om de aandacht van de Raad te vragen, andere zijn duidelijk meer tijdgebonden, terwijl ook in de standpunten nu eens duidelijk sprake blijkt van doorbraken, dan weer van stagnatie of zelfs terugkeer naar reeds verlaten posities.

Hoewel de huidige Gezondheidsraad in 1920 ontstond, omspant het advieswerk van de Raad toch vrijwel de hele twintigste eeuw. In 1902 benoemde minister-president Kuyper de eerste zeven leden van de Centrale Gezondheidsraad, een permanent college dat zowel leiding moest geven aan het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, maar daarnaast ook geacht werd de regering van advies te dienen en zelfs wetsvoorstellen te ontwerpen. Van een Ministerie van Volksgezondheid was toen nog geen sprake, volksgezondheid was, voorzover al een zaak van de overheid, ondergebracht bij Binnenlandse Zaken en de Centrale Gezondheidsraad fungeerde, althans dat leek de bedoeling, als een soort mini-ministerie.

De Centrale Gezondheidsraad was geen succes. Rigter voert daar vele redenen voor aan, maar één van de belangrijkste was toch wel dat de regering zelf er geleidelijk toe over ging actiever te worden op het terrein van de volksgezondheid. De Centrale Gezondheidsraad werd in 1920 opgevolgd door de Gezondheidsraad, die zich voortaan veel minder met "daad' en vooral met "raad' zou gaan bezighouden. Door toedoen van de voorzitter van de Raad, dr. A.N. Josephus Jitta, werden de adviezen ook steeds wetenschappelijker van karakter en werd het werk in de commissies van de Raad steeds meer gedragen door onafhankelijke deskundigen met een wetenschappelijke achtergrond. De Gezondheidswet van 1956 maakte de Gezondheidsraad definitief tot een wetenschappelijk college. De afstand tot de Centrale Gezondheidsraad van 1902 was daarmee zo groot geworden, dat de viering van het 90-jarig bestaan van de Gezondheidsraad op 2 oktober in de Ridderzaal misschien toch wel iets te veel eer genoemd moet worden.

Terugkijkend langs de advieslijn klopt de leeftijd wel, maar zoals in 1920 het onderscheid tussen Raad, departement en Staatstoezicht een beperking van het werkterrein van de Raad inhield, zo gebeurde dat in 1945 opnieuw door de instelling van de centrale Commissie voor de Volksgezondheid (de latere Centrale Raad voor de Volksgezondheid, het platform voor de belangenbehartigers in de gezondheidszorg en bij uitstek het maatschappelijk adviesorgaan voor het volksgezondheidsbeleid). In 1954 volgde de verzelfstandiging van de Voedingsraad. Al deze afsplitsingen zijn ook uitzuiveringen gebleken van het werkterrein van de Gezondheidsraad, één van de weinige van de tientallen raden en commissies in de gezondheidszorg die de afgelopen jaren nauwelijks kritiek te duchten heeft gehad en tot nu toe niet meer dan in het voorbijgaan met opheffing of samenvoeging is bedreigd.

Meer dan ik me als lid van de Raad ooit gerealiseerd heb, blijkt de geschiedenis van de Gezondheidsraad in het teken van de "public health', van de openbare en maatschappelijke gezondheidszorg in de ruimste zin van het woord, te hebben gestaan. Een heel groot deel van de adviezen heeft betrekking gehad op de bestrijding van besmettelijke ziekten, van pokken tot polio, van lepra tot tuberculose, van syfilis en gonorrhoe tot AIDS. Juist nu er weer sprake is van een kleine polio-epidemie, is het interessant om te zien hoe de huidige discussie over wel of geen inentingsdwang al enkele keren eerder is gevoerd, eigenlijk al sinds de introductie van de eerste vaccins omstreeks 1955, en hoe elke keer ook dezelfde argumenten in stelling worden gebracht.

Polio als epidemie deed in Nederland omstreeks 1920 zijn intrede, op een moment dat het gevaar van een pokkenepidemie niet erg waarschijnlijk meer leek. Niettemin was men buitengewoon bang voor import van pokken en een oude Epidemiewet stelde inenting tegen pokken vrijwel verplicht (via de zogenaamde zijdelingse dwang: schoolbezoek was onmogelijk voor wie niet ingeënt was). Het grote probleem met het vaccin was echter, dat het zelf slachtoffers maakte, meer zelfs dan er in deze hele eeuw in Nederland door de pokken zelf gemaakt zijn. De gevaren van het vaccin konden niet afdoende opgeheven worden en tientallen jaren lang woedde een heftige discussie over de gerechtvaardigdheid van inentingsdwang. Ook hier koos de regering uiteindelijk voor een zijdelingse oplossing: de steeds herhaalde, maar in principe tijdelijke opschorting van de Epidemiewet. Uiteindelijk konden de boeken over deze kwestie pas in 1980 gesloten worden, toen de WHO de wereld officieel van pokken vrij verklaarde. Vaccinatie was daarmee overbodig geworden.

In de Tweede Wereldoorlog zette de Gezondheidsraad haar werkzaamheden in beperkte mate voort en richtte zich toen met name op de bewaking van het voedselpakket van de bevolking. Op advies van de Gezondheidsraad werden Centrale Keukens ingericht, waar relatief goede en goedkope maaltijden werden verstrekt, kregen gezinnen met thuisverblijvende zieken extra voedseltoewijzingen, werden vitaminetabletten verstrekt en kwam er een voorlichtingsbureau voor de voeding. De Gezondheidsraad was uiteraard niet verantwoordelijk voor de voedseldistributie zelf, maar de adviezen van de Raad zijn zeer belangrijk geweest voor de samenstelling en kwaliteit van het voedselpakket tot september 1944, toen er niets meer te adviseren viel.

De laatste decennia heeft de Raad zich in toenemende mate beziggehouden met gezondheidsethische en gezondheidsrechtelijke vragen. De positie van de Raad is op dit gebied niet onomstreden, zoals ook Staatssecretaris Simons op 2 oktober duidelijk maakte, toen hij naar "indringende' gesprekken met minister Hirsch Ballin over dit onderwerp verwees. Het karakter van de adviezen van de Raad zal daar wel niet helemaal vreemd aan zijn. Zo werden adviezen uitgebracht over transseksualiteit, kunstmatige inseminatie, homoseksuele omgang met minderjarigen, euthanasie, foetusonderzoek, erfelijkheidsvoorlichting en orgaantransplantatie, die niet alleen wetenschappelijk en technisch de laatste stand van zaken weergaven, maar ook opvielen door hun vaak "onbedoeld' progressieve standpuntbepaling. Vrijwel steeds worden deze adviezen als gezaghebbend beschouwd en hun invloed gaat veel verder dan die van een simpel advies aan de regering.

In vrijwel geen enkel ander land bestaat een met de Gezondheidsraad vergelijkbare instelling, waar wetenschappelijke onafhankelijkheid en maatschappelijke betrokkenheid elkaar zo goed blijken te verdragen. "De Gezondheidsraad is een unicum', zei oud-voorzitter Haex eens en hij was daar trots op. Buitenstaanders delen dat oordeel. Een organisatieadviseur (ik noem zijn naam niet omdat het Pim Fortuyn was) schreef de regering: "Meestal is goede raad duur, in het geval van de Gezondheidsraad niet ... Weinig reden dus om verandering aan te brengen in dit hardwerkende en zijn bestaan dagelijks bewijzende advieslichaam.'

    • Paul Schnabel