Vreemdeling

Alle dagen zon. Om vijf voor negen verschijnt zij boven de bergen, om kwart voor zeven verdwijnt zij in zee. Het water twintig graden, helder als glas. Het strand daarentegen zwart, steenkoolgruis.

Aan de baai ligt een korte promenade met winkels en cafés beneden en balkonnetjes boven. Meteen op de hoek wordt de kust rotsig, de zee onstuimig. Daar liep een regenwulp.

Hij ging op hoge poten over het gesteente, draaide met een zoekende blik zijn kop, dreef nu en dan zijn snavel in een spleet. Alsof hij door woede werd bewogen. Een soort woede zelfs toen hij zich begon te poetsen, te baden.

Overdag was het hem te druk van mensen. Maar 's avonds was hij terug en de volgende morgen weer.

Vertrouwde vogel, maar hoorde hij hier wel? Was hij niet van zijn trekroute gewaaid? Werd zijn woede niet ingegeven door een gevoel van verhongering? Je weet het niet. Je kijkt met de verkeerde ogen. Je kent de vogel, niet de plaats, en het gaat altijd om de combinatie.

Toen klauterde ik een eind over de rotsen op zoek naar een geschikte plek voor het ondergaan van de zon. Binnenwaarts bleek zich een smerig poeltje op te houden. Zilverplevier, oeverloper ....regenwulp! Met een zacht-verwijtend ratelroepje ging hij ervandoor en bij zijn vlucht voegde zich nog een regenwulp - twéé regenwulpen, dat zag er al heel wat beter uit.

    • Koos van Zomeren