Silicon Valley levert Clinton geld en steun; High tech-bedrijven hebben genoeg van Republikeins "laissez faire'

SAN JOSE, 14 OKT. Dat Californië en Amerika niet in verval verkeren, bewijzen de welstand en de vitaliteit van Silicon Valley, het wereldcentrum voor kunstmatige intelligentie rond San Jose en ten zuiden van San Francisco. In 1958 werd hier met geld van het Pentagon de eerste chip gebouwd. Een schoolverlater, Steve Jobs, ontwikkelde er in zijn garage zijn eerste Apple computer.

Het gebied heeft de grootste concentraties ingenieurs en doctoren ter wereld. Schuurtjes zijn er in tien jaar uitgegroeid tot miljardenbedrijven, waar geen Europese concurrent aan kan tippen. Het intellectuele centrum is de Stanford Universiteit in Palo Alto. De briljante afgestudeerden Hewlett en Packard begonnen op initiatief van de directeur van de Stanford School of Engineering hun bedrijf in het Stanford Industrial Park.

Tussen cypressen staan sierlijke, nieuwe kantoor- en produktiegebouwen met de nieuwste snufjes in efficiency en energiebeparing. Hier bevindt zich de economische voorhoede, die banen met hoge inkomens schept. Deze superondernemers waren vier jaar geleden nog overtuigde aanhangers van Reagan en Bush. Maar dit jaar heeft een meerderheid van hen zich afgewend van de president. De Koude Oorlog is veranderd in de handelsoorlog voor toegang tot de wereldmarkt en Silicon Valley krijgt daarbij weinig steun van Washington.

Tijdens het debat van afgelopen zondag meldde Clinton trots dat twee derde van de directeuren in Silicon Valley Republikeins is, maar dat een meerderheid hem steunt. Afgelopen maand onder anderen John Sculley van Apple, Andrew Grove van Intel, John Young van Hewlett Packard en elders de Republikein Roger Johnson, voorzitter van de Western Digital Corporation. Hoewel Bush nog steeds de meeste zakenlieden in zijn kielzog heeft, heeft sinds Johnson in 1964 geen Democraat zoveel steun gehad van het bedrijfsleven als Clinton. Het was niet zozeer liefde voor Clinton als wel afschuw van Bush.

In Silicon Valley had Clinton gedaan wat president Bush gedurende zijn hele zittingsperiode heeft nagelaten: hij ging er heen om te praten met de topmensen uit de computerwereld. Samen met hen stelden zijn stafleden een campagnestuk op over het technologiebeleid. En zo opende hij een rijke bron voor campagnebijdragen en verwierf hij zich politieke steun uit de voorhoede van het Amerikaanse bedrijfsleven. Vice-presidentskandidaat Al Gore is al bekend in deze sector. Als senator deed hij het voorstel tot de aanleg van een "informatie-supersnelweg', een soort nationaal datakabelsysteem.

De makers van chips en computers hebben genoeg van het Republikeinse laissez faire en wensen meer hulp van de overheid om de Japanse concurrentie het hoofd te bieden. Ook in Silicon Valley heeft laissez faire nooit echt bestaan, omdat het ministerie van defensie altijd grote steun gaf aan de high tech. Maar na het einde van de Koude Oorlog en de drastische bezuinigingen op defensie staat de computerindustrie er plotseling alleen voor. President Bush bleef passief en deed de nood af met de opmerking dat de overheid “geen winnaars en verliezers” kan aanwijzen. De vrije markt was de oplossing voor alles.

Zelfs een vrije-markt-ideoloog als president Reagan had meer oor voor de wensen uit zijn oude deelstaat, want high tech was belangrijk in de competitie met de Sovjet-Unie. Onder Reagan werd er een verdrag tot invoerbeperking van Japanse chips gesloten ter bescherming van de Amerikaanse producenten. De Japanners dreigden de Amerikaanse producenten door dumpen van de markt te drukken. Onder Reagan werd ook met 100 miljoen dollar overheidsgeld Semitech opgericht, een samenwerkingsverband tussen overheid en bedrijven. Nog steeds is de Defense Advanced Research Project Agency (Darpa) een belangrijke motor achter technologische ontwikkeling. “Als Clinton wint, dan moet de technologische steun uit de civiele hoek komen”, zegt Gary Bonham van de chipproducent LSI Logic bij San Jose. “We hoeven geen groot infuus van overheidsgeld te hebben maar een verandering in houding. We zouden graag meer samenwerking tussen de overheid, de industrie en de nationale laboratoria zien. De bedrijven zouden de resultaten van het met steun van de overheid verrichte fundamentele onderzoek commercieel kunnen toepassen.”

Professor Steve Cohen van de bij de University of California aangesloten Berkeley Roundtable on International Economics (afgekort Brie) wil een samenwerking zoals de biotechnologische sector die heeft met de National Institute of Health. “Iedereen zegt dat het succes van de landbouw niets had te maken met de overheid. Maar dan vergeten ze de landbouwhulpdienst”, vult Cohens collega Michael Borrus aan.

De hoogtechnocraten hebben zich afgelopen jaren hevig geërgerd aan de passiviteit van Bush. Van een van zijn medewerkers komt de uitspraak dat de export van 100 dollar aan potato chips even belangrijk is als de export van 100 dollars aan computerchips. “Het heeft de mensen hier woedend gemaakt”, aldus Bonham. De stokpaardjes van Bush zoals vermindering van belasting op de vermogensaanwas “hebben geen betekenis voor ons”, zegt Bonham. “Het is veel belangrijker voor ons dat de belastingaftrek voor investeringen en onderzoek permanent wordt gemaakt. Wij moeten in vijf jaar afschrijven, de Japanners slechts in drie jaar.”

De Amerikaanse opstelling in de Gatt-onderhandelingen bevredigde ook niet. Bush begon met het aansnijden van het financieel minst belangrijke onderdeel, landbouw, en sindsdien liggen de besprekingen stil. De Amerikaanse delegatie liet haar plannen om te onderhandelen over het Europese 14-procents-tarief op chips varen. Bij zijn gewraakte handelsmissie naar Japan nam president Bush twaalf topmannen uit de auto-industrie mee en slechts één man uit de elektronica. “Zo iemand heeft er niets van begrepen”, klaagt de topman van Intel, Andy Grove. Hij stuurde een viool naar de directeur voor de federale begroting, Richard Darman, met een begeleidend briefje: “Bespeel dit instrument, terwijl het land brandt”.

Vooral de chipsindustrie heeft een harde overlevingsstrijd moeten leveren met Japan. Medio jaren zeventig besloot de Japanse industrie al om de Amerikanen in te halen. En begin jaren tachtig merkten de Amerikaanse chipmakers het aan hun verdwijnende marktaandeel in eigen land door Japanse dumppraktijken. Tegelijkertijd kregen ze geen toegang tot Japan. Ze konden hun waar alleen via hun concurrent in Japan slijten. Intel slaagde er nog in om zich op een door Amerika bezet eiland bij Okinawa te vestigen vlak voor de souvereiniteitsoverdracht aan Japan. “Toen werden we plotseling een Japans bedrijf”, zegt Bonham en daarmee was toegang tot de Japanse markt verzekerd.

De belangstelling in de overheid is nieuw. Begin jaren tachtig wilden de Amerikaanse chipmakers niets te maken hebben met Washington. “Ingenieurs hebben een sterk vertrouwen in hun eigen kundigheid”, zegt Cohen. De ingenieurs uit de computersector keken neer op de vertegenwoordigers van staal en textiel die om overheidssteun tegen buitenlandse competitie vroegen. Door de massale marktaanval uit Japan veranderde die houding halverwege de jaren tachtig. De Amerikaanse overheid dreigde met zware boetes. In een verdrag van 1986 werd een plafond gesteld aan de afzet van Japanse chips in Amerika en kreeg de Amerikaanse en Westeuropese industrie toegang tot de Japanse markt. Het verdrag werd slechts half geëerbiedigd door Japan. Het plafond werd in stand gehouden, maar Amerika kreeg nog steeds geen toegang tot de Japanse markt. Er kwamen dus toch zware heffingen op importen. En door plotselinge schaarste gingen de prijzen omhoog.

De computermakers zagen hun onderdelen duurder worden en protesteerden tegen de chipsovereenkomst. “De computermakers lopen tien jaar op ons achter”, zegt Bonham. “Zij beginnen de problemen nu pas te merken.” Chips verenigen steeds meer functies in zich zodat de meerwaarde steeds groter wordt. Bonham voorspelt dat rond de eeuwwisseling 60 procent van de waarde van een apparaat van de chip zal komen, zodat de marge voor de makers van de apparaten geringer wordt.

Een ander handelsprobleem is het scherm voor schootcomputers. Voor vernieuwingen zijn Amerikaanse producenten vrijwel geheel van Japanse technologie afhankelijk en dat maakt hen kwetsbaar. Inmiddels is er een initiatief ontstaan om ook meer Amerikaanse schermpjes te maken. Ook de computermakers zijn inmiddels wakker geworden en het levert Clinton geld en stemmen op.

    • Maarten Huygen