Redt de chimpansees van TNO; TNO is de enige instelling ter wereld waarin voor chimpansees fatale experimenten zijn toegestaan

Vorige week is rumoer ontstaan over het om bezuinigingsredenen op grote schaal afmaken van proefdieren in het TNO-Instituut voor Toegepaste Radiobiologie en Immunologie (ITRI) te Rijswijk. Deze, terecht gelaakte, maatregel van TNO is geen incident, maar een symptoom van een al jarenlang falend beleid binnen de Hoofdgroep Gezondheidsonderzoek. Dat beleid heeft een aantal instituten aan de rand van de afgrond gebracht, waaronder het Primatencentrum, thans onderdeel van het ITRI en drie jaar geleden nog een wetenschappelijk vooraanstaand en financieel gezond instituut. Dat wanbeleid kost niet alleen dierenlevens. Binnen niet al te lange tijd wordt bekend wie tot de groep van meer dan zeventig medewerkers behoren die zal worden ontslagen. Met de ontslagronde van een jaar geleden betekent dit dat binnenkort ruim de helft van het instituut op straat staat.

Het massaal afmaken van de knaagdieren is door het personeel van het ITRI aan de Veterinaire Hoofdinspectie gemeld onder meer omdat voor de apen hetzelfde lot wordt gevreesd. De ontkenning van dat voornemen door het management van TNO is niet erg geloofwaardig. Er zijn wel degelijk plannen om "overbodige' rhesusapen te doden. Zelfs voor de chimpansees moet worden gevreesd nu de lokale Dierexperimentencommissie het sein op groen heeft gezet voor de dodelijke experimenten met deze bedreigde diersoort. Daarmee is gebroken met een al jarenlang geldend beleid en is TNO de enige instelling ter wereld waarin voor chimpansees fatale experimenten zijn toegestaan.

Niet alleen om het leven van vele apen te redden dient de overheid in te grijpen, maar ook om het voortbestaan van het Primatencentrum te garanderen. Het is één van de belangrijkste fokkolonies van chimpansees buiten de Verenigde Staten. Het importeren van wilde apen uit landen van oorsprong wordt steeds moeilijker en is binnen niet al te lange tijd onmogelijk. De enige bron voor apen voor biomedisch onderzoek zijn dan de Primatencentra. De belangrijkste bron voor nieuwe geneesmiddelen en vaccins is thans de biotechnologie. De produkten van deze nieuwe technologie zijn zo specifiek dat ze alleen bij apen op deugdelijkheid en veiligheid kunnen worden getest. Voor een aantal van de belangrijkste infectieziekten zoals malaria, hepatitis en Aids zijn apen de belangrijkste en vaak de enige proefdiersoort. De behoefte aan onderzoek in apen is groot en neemt in de toekomst toe.

Het Primatencentrum is ontstaan uit het Radiobiologisch Instituut, dat in de jaren zestig apen was gaan fokken voor transplantatie-onderzoek. De eerste directeur werd prof. Hans Balner, een vooraanstaand immunoloog, die het centrum een internationale wetenschappelijke reputatie bezorgde. Op basis daarvan kon het centrum grote contracten sluiten met de farmaceutische industrie voor het testen van vooral biotechnologische produkten. Die contractresearch werd op de duur de grootste inkomstenbron.

Het succes van het Primatencentrum kwam ook door zijn organisatie: korte lijnen, weinig bureaucratie en de integratie van wetenschap en bedrijfsvoering rond de proefdieren. Fok en gebruik van dieren waren optimaal afgestemd op wetenschappelijke belangen en het welzijn van de dieren. De flexibele en efficiënte organisatie maakten dat het Primatencentrum goed bleef draaien, ondanks de benoeming van een slecht functionerende directeur als opvolger van Balner.

Het eind voor het Primatencentrum als zelfstandig instituut kwam met het besluit tot de vorming van vier beheerseenheden binnen de Hoofdgroep Gezondheidszorg in 1990. Het Primatencentrum werd daarbij weer bij het Radiobiologisch Instituut gevoegd. De combinatie kreeg de naam ITRI-TNO. Het besluit werd genomen zonder enig direct overleg tussen de hoofddirectie en de staf van het Primatencentrum. Ook de Raad van Advies van het instituut werd volstrekt genegeerd. De belangen van het Primatencentrum speelden bij de reorganisatie dan ook geen enkele rol.

De toegezegde inspraak bij de benoeming van de directeur van het ITRI bleek een wassen neus. Ondanks verzet van de staf werd J.J. Haayman tot directeur van de combinatie benoemd. Zijn schorsing vorige week betekende voor het Primatencentrum voor de derde achtereenvolgende maal het voortijdige vertrek van een falende eindverantwoordelijke.

De enige reden voor de fusie waren de financiële problemen van het Radiobiologisch Instituut. De fusie werd echter niet door een sanering voorafgegaan met als voorspelbaar resultaat een noodlijdend ITRI, dat met de structuele problemen van het Radiobiologisch Instituut werd opgezadeld. Daarmee verdween de financiële armslag van het Primatencentrum voor de investeringen om infrastructuur en fok aan de veranderende omstandigheden aan te kunnen passen. Bovendien werden wetenschap en proefdierfok van de apen gescheiden. De apenfok werd organisatorisch gecombineerd met de fok van knaagdieren, met als gevolg een ondoorzichtig en ingewikkeld beheer waarin vooral ondeskundigen op apengebied het voor het zeggen hebben. Het vertrek van een aantal gezichtbepalende personen die het gesol beu waren heeft verder nog bijgedragen aan de teloorgang van het Apencentrum.

De ontwikkelingen rond het Primatencentrum kunnen niet los worden gezien van de ontwikkelingen binnen TNO als geheel. De nieuwe organisatievorm van TNO heeft geleid tot vergaande centralisering en bureaucratie. Een voorbeeld van de uitdijende bureaucraie is het niveau van hoofddirectie. Gedwongen het echte beleid aan de Raad van Bestuur over te laten en te ver van de werkvloer om de dagelijkse gang van zaken te benvloeden, laat zij zich vooral gelden als de motor achter het voortdurende proces van vruchteloze reorganisaties binnen TNO.

Het centralisme gaat voorbij aan het feit dat een Primatencentrum in Rijswijk maar weinig gemeen heeft met bijvoorbeeld een instituut voor Brouwgerst, Mout en Bier, hoewel beide tot TNO behoren. Toch worden de tientallen verschillende TNO-instituten in hetzelfde keurslijf gedrongen en worden steeds meer beslissingen aan het centrale gezag voorbehouden, terwijl de kennis van de specifieke markten alleen op lokaal niveau aanwezig is. Verlies aan slagvaardigheid en uit de pan rijzende tarieven om de uitdijende bureaucratie te betalen, zijn de gevolgen.

TNO is daardoor de laatste jaren een steeds meer op zichzelf gerichte organisatie geworden. Dat blijkt onder meer uit de benoemingen van het hogere management. De keuze wordt daarbij meer bepaald door de eisen die de bureaucratie van TNO stelt dan door de verwachtingen die de buitenwereld koestert van het management van TNO. Het relatief geringe aantal managers dat van buiten TNO wordt aangetrokken, is vaak snel weer vertrokken. Deze bureaucratische inteelt heeft onder andere tot gevolg gehad dat slechts nog één arts deel uitmaakt van het management binnen de Hoofdgroep Gezondheidszorg. De gevolgen daarvan voor de medische relevantie van het onderzoekprogramma zijn duidelijk.

Gezien het internationale belang van het Primatencentrum hoort het voortbestaan niet langer afhankelijk te zijn van de nukken van TNO. Het dient zo snel mogelijk uit TNO te worden losgemaakt. De door TNO nagestreefde verkleining van de kolonie apen door doden of verkoop betekent niet de oplossing van de structurele problemen, maar is slechte een verdere stap op weg naar het definitieve einde voor het Primatencentrum. De gesuggereerde privatisering is om allerlei redenen ongewenst. Overdracht aan een commerciële proefdierfokker geeft het centrum een even sombere toekomst als bij TNO. Dan rest slechts verzelfstandiging op niet-commerciële basis, eventueel onder de vleugels van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen of als onderdeel van een universiteit. Die nieuwe organisatievorm moet wel zodanig zijn dat de invloed van belanghebbenden als wetenschap, overheid, industrie en dierenbescherming maximaal is om herhaling van wat thans gebeurt te voorkomen.

    • H. Schellekens
    • Vanaf 1983 Als Plaatsvervangend Directeur