Rechtseconomie krijgt waardering

Voor de derde maal in tien jaar krijgt een rechtseconoom uit Chicago de Nobelprijs voor economie. De toekenning van de prijs aan Gary S. Becker betekent defitieve wetenschappelijke waardering voor deze stroming.

ROTTERDAM, 14 OKT. Een misdadiger die van plan is een bank te overvallen, doet dat niet zomaar. Voordat hij een stap binnen de bank zet, bekijkt hij eerst wat de mogelijke opbrengst van de overval zou zijn. Vervolgens probeert hij in te schatten hoe groot zijn kans is om veilig met het geld weg te komen - en welke straf hem te wachten staat als de vlucht niet slaagt. Pas als hij denkt dat de opbrengst tegen het risico opweegt, zal de overval plaatsvinden.

Iedere crimineel - psychopaten uitgesloten - handelt rationeel: bij iedere potentiele wetsovertreding weegt hij de mogelijke baten van een wetsovertreding af tegen de soort straf die er op staat en tegen de kans die straf ook daadwerkelijk te krijgen. Dat schreef Gary S. Becker (62), de Amerikaanse econoom die gisteren de Nobelprijs voor economie heeft gekregen, 24 jaar geleden in een van zijn bekendste artikelen Crime and Punishment: an economic approach.

De titel typeert de manier waarop Becker de afgelopen 35 jaar heeft gewerkt: trachten om met behulp van economische principes het gedrag van mensen te verklaren. Becker, hoogleraar aan de universiteit van Chicago, schuwt bij zijn onderzoekskeuze geen enkel terrein. Discriminatie, werkende moeders, echtscheidingen, crimineel gedrag of de investeringen in menselijke kennis, het zijn allemaal zaken die volgens Becker met behulp van economische begrippen (zoals de toewijzing van schaarse middelen en de rationele afweging van kosten en baten) verklaard kunnen worden.

Die brede aanpak is een van de redenen waarom Becker nu wordt geëerd. De commissie voor de Nobelprijs verklaarde gisteren dat Becker de prijs heeft gekregen omdat hij “de micro-economische theorieën heeft weten uit te breiden tot een veelomvattend terrein van menselijk gedrag en menselijke samenwerking, ook buiten de economische markten”.

Becker wordt vaak gezien als een vertegenwoordiger van de Chicago School of Law and Economics, een betrekkelijk jonge wetenschappelijke stroming die zich voornamelijk bezig houdt met economische analyses van het recht. De groep bestaat zowel uit juristen als uit economen. Bekende Amerikaanse exponenten van deze stroom (die in Nederland bekend is onder de naam rechtseconomie) zijn de economen - en Nobelprijswinnaars - James Buchanan, George Stigler en Richard Coase. Van de juridisch geschoolde rechtseconomen zijn de federale rechters Richard Posner, Frank Easterbrook en Robert Bork het meest bekend.

Rechtseconomen gaan ervan uit dat de mens zich laat leiden door rationele overwegingen en streeft naar maximale welvaart. Uitgangspunt van hun theorievorming is de kracht van de vrije markt, waarin partijen met elkaar (zonder inmenging van de overheid) onderhandelen over hun behoeften en over de prijs die ze daarvoor over hebben. Zo komt men vanzelf op de meest efficiënte oplossing.

Bij het opstellen van rechtsregels moet het marktproces zo min mogelijk verstoord worden, vinden de rechtseconomen. En als er dan al van bovenaf opgelegde regels moeten zijn, is het volgens hen van groot belang om steeds na te gaan of met deze rechtsregels het beoogde doel wordt bereikt en of dat op de beste manier gebeurt.

Becker heeft vanaf het begin van zijn wetenschappelijke loopbaan betoogd dat veel regelgeving geen effect heeft - of zelfs tegengesteld werkt. In een van zijn eerste bekende artikelen, The economics of discrimination (1957), laat hij zien dat mensen die discrimineren, zichzelf daarmee economisch gezien meer kwaad dan goed doen en daarom uiteindelijk - uitgaande van het idee dat iedereen streeft naar maximale welvaart - zullen stoppen met discriminatie.

De Nobelprijswinnaar heeft zich niet alleen met economische analyses van rechtspraak beziggehouden. Steeds begeeft Becker zich op andere maatschappelijke terreinen, waar hij tracht aan te tonen dat menselijk gedrag stoelt op rationele economische overwegingen. Hoewel veel van zijn studies, bij voorbeeld op het gebied van echtscheiding en gezinsgrootte, nog steeds als zeer controversieel bekend staan, is vooral zijn onderzoek naar het verband tussen scholing en arbeidsmarkt van baanbrekend belang gebleken. Het boek Human capital, dat Becker in 1964 schreef, kan volgens de commissie voor de Nobelprijs worden beschouwd als wellicht zijn belangrijkste bijdrage aan het inzichtelijk maken van maatschappelijke verschijnselen.

In "Human capital' betoogt Becker dat investeringen in menselijke kennis (bij voorbeeld scholing) in principe niet verschillen van investeringen in machines. Mensen laten zich bij de keuze voor een bepaalde opleiding leiden door een rationele afweging van kosten en baten, stelt Becker. Zij kijken daarbij onder andere naar het inkomen dat zij later met die opleiding kunnen verwerven en zetten dat af tegen de kosten van de studie (inclusief gederfd inkomen tijdens de opleidingsjaren).

De groep van Chicago-economen, waartoe ook Becker behoort, heeft altijd een onvoorwaardelijk geloof in de werking van de markt uitgedragen. Hun betogen voor vergaande deregulering, een terugtredende overheid en een rechtspraak die zich niet bezighoudt met sociale aspecten maar louter en alleen met efficiëntie, sloegen echter pas aan bij het grote publiek in de jaren tachtig. Nu in tien jaar tijd voor de derde maal een Nobelprijs is toegekend aan een lid van deze groep, is ook de wetenschappelijke waardering definitief een feit.

    • Marcella Breedeveld