"Mensen ruiken het als je bang bent'

Voor een groot aantal mensen speelt het werk zich op straat af. Bezorgers van kranten, marktlui, politie-agenten. Alice Oppenheim vroeg naar hun belevenissen. Vandaag Hans Weernink, kassier van een benzinepomp.

Hans Weernink werkt aan de borderline tussen welvaart en welzijn: aan de A1 tussen Amsterdam en het Gooi. Deze Hollandse ferme jongen bekijkt de rijk geschakeerde menselijke taferelen die zich daar dagelijks afspelen met een berekenend en oplettend oog. En wekt daarbij de indruk zichzelf goed in de hand te hebben.

Zelfbeheersing is een eerste vereiste voor zijn werk. “De mensen komen hier vaak heel agressief binnen. Verleden week werd er een zijruit geramd door een vent die een paar broodjes wilde hebben. Volwassen kerels jatten rollen snoep terwijl ze je uitdagend aankijken. Automobilisten snijden mekaar tegenwoordig veel vaker. Ze hebben geen geduld. Je kunt merken dat ze hun energie niet meer kwijt kunnen. Dat ze zichzelf zitten op te fokken. Als ze dan moeten betalen staan ze hier hartstikke link te wachten. Met een gezicht waaraan je kunt zien dat ze je gelijk op je bek zouden kunnen slaan. Ik reageer nooit, schakel mijn gevoel uit. Als het te gek wordt krijg ik iets kortafs, ga ik een beetje afkatten. Dat is niet goed, want dan pak je de verkeerde terug.”

Weerninks directe werkomgeving lijkt een slagveld te worden waarop burger en overheid elkaar kunnen frustreren en treiteren. Ook diep in de nacht zou de A1 het decor kunnen vormen voor een commercial waarin economische vluchtelingen uit arme landen worden gewaarschuwd voor de ontaardende kanten van het kapitalisme. De diverse soorten herrie en stank zijn overweldigend. De zevenenveertigjarige kassier houdt niettemin al jaren stand. Hij ziet er gezond en uitgeslapen uit. “Ik werk maar vijf uur per dag. Da's meer dan genoeg. Mijn salaris is gebaseerd op de fooien die ik krijg. Ik hoef niet meer zo nodig, ik heb een leuk huis en mijn kinderen zijn groot. Bovendien verdient mijn tweede vrouw ook goed. We zijn allemaal wat ouder en wijzer geworden en we weten zo langzamerhand dat het in dit soort beroepen niet om de werktijd maar om de mentaliteit gaat. Ik heb geleerd om nergens op te reageren, om m'n eigen zelf zo koest mogelijk te houden. Om zo nu en dan "val dood' te denken en gewoon verder te gaan. De teer- en benzinelucht ruik ik alleen als ik mijn auto wegzet voordat ik aan het werk ga. Het lawaai zet ik dan ook weg omdat ik weet dat het erbij hoort. Als je dat kunt is het een prima baantje.”

Het drukst bezochte particuliere pompstation van Nederland ziet er - in tegenstelling tot de stations van de multinationals en het groot materieel van rijkswaterstaat - armoedig en sterk vervuild uit. Opknappen loont echter nauwelijks de moeite.

Binnen hangt een elektronische camera. “Omdat we hier regelmatig met doorrijders, autodieven en leden van de penoze te maken krijgen, staan we in direct contact met de meldkamer van de autoverkeersdienst. Met die jongens in de Porsches. Als er dus iets gebeurt, slaan we gelijk twee vliegen in een klap. Ze gaan er achteraan en wij krijgen ons geld. Als het rustig is komen die knapen hier koffie drinken. Zo horen we waar en wanneer er files zullen ontstaan en waar er aan de weg wordt gewerkt.” Dat er carpoolbanen zijn gemaakt en de brug is verbreed vindt Weernink zonde van de vele miljoenen guldens. “Ik denk niet dat het zal werken. De mensen hebben geen zin om bij mekaar in de auto te zitten. Een collega bij mij in de buurt heeft soms dezelfde dienst als ik. Toch gaan we nooit samen naar het werk. Je wilt vrij zijn en weggaan wanneer het jou uitkomt. We zijn een vreselijk eigengereid volk geworden. Met die verkeersgekte kan het niet veel langer doorgaan. De loodvrije benzine loopt niet hard, die is nog te duur. Die katalysatoren schijnen ook niet echt te helpen. Ik denk dat rijkswaterstaat de grond in moet met de hele handel en dan gelijk tol moet gaan heffen.”

Thuis, in Huizen, is Weernink heer en meester in zijn zorgvuldig opgesierde koopwoning. Rond zijn diepbruine hals en polsen schitteren massief gouden sieraden. Zo nu en dan kroelt hij in de smetteloos schone vacht van een aandoenlijk Maltheser leeuwtje. “Als ik hier weer ben, haal ik eerst diep adem. Voor de lekkere frisse lucht. In dit vak moet je leren jezelf om te schakelen. Dan zet ik de radio keihard aan omdat ik kennelijk toch gewend ben aan een beetje drukte om me heen. Ik rommel vaak wat in de tuin, het ontspant om in de natuur bezig te zijn. Borreltje erbij. Sinds de scheiding van mijn eerste vrouw kook ik meestal zelf. Ik ben een pietje precies met eten. Als ik zie hoe de gemiddelde Nederlander met smaak in die vieze hotdogs hapt en die niet-te-drinken-koffie opdrinkt, dan merk ik dat ze niet veel gewend zijn. Ze geven veel meer geld uit aan de auto en de benzine dan aan de basis van hun gezondheid.”

Hans Weernink heeft het goed. Hem hoor je niet klagen. Hij heeft zich met souplesse geschikt in de hedendaagse sociologische orde. “We hebben sinds een paar jaar vrouwen achter de kassa, vooral part-timers. Dat past goed in onze schema's. In het begin deden ze een beetje moeilijk over het legen van de prullenbakken en dat soort klusjes. Toen heb ik ze uitgelegd dat wij als kerels 's avonds laat altijd wachten tot iedereen naar huis is voordat we de deuren en de toiletten afsluiten en dat we dus vaak een kwartier langer werken. Zij weten nu ook dat we dan vaak veel agressie te verstouwen krijgen van mensen die bij ons naar hun huis willen bellen omdat ze vast zitten in een file. Nou doen ze die klusjes wel.

“Het zou nu praktisch zijn als we ook een paar gekleurde mensen in dienst hadden. We begrijpen die gasten niet altijd en we krijgen vaak aangebrande reacties uit die groep. Terwijl het ons niks kan schelen wie er tankt, als ze maar betalen. We weten dat de klappen soms uit de meest onverwachte hoeken komen. Een collega van me heeft altijd een bandijzer en een gummiknuppel onder de toonbank liggen. Dat vind ik fout. Want waar is het einde? Ik denk dat je zelf rust moet uitstralen en dat je met dit beroep moet ophouden als je bang gaat worden.

“Mensen ruiken dat aan je. Ik denk vaak na over de oorzaken van al dat geschreeuw. Volgens mij zijn de mensen te weinig lichamelijk bezig. Ik werkte vroeger als leerling-ober bij Hamdorff in Laren. Daar ging ik als jonge vent met de fiets naar toe. Half uurtje heen en half uurtje terug en de hele dag op je benen. Daar werd je goed moe van. Nu maken automobilisten zichzelf gek met dat gejaag en dat geruzie. En zitten maar te zitten. Als we daar met z'n allen niks aan doen, dan gaat er iets goed fout in de samenleving. Dan krijgen we weer oorlog.”

    • Alice Oppenheim