Meevallers door verslechterde economie

DEN HAAG, 14 OKT. De financiële tegenvaller van 3 à 4 miljard gulden op de rijksbegroting 1993, die het Centraal Planbureau (CPB) op grond van de verslechterde economie voorspelt, kan voor een groot deel worden gecompenseerd door meevallers, die ook uit de gewijzigde economische omstandigheden voortvloeien, vooral uit de lagere inflatie. Het CPB heeft deze “meevallers” nog niet in de becijferingen verwerkt omdat er belangrijke politieke beslissingen nodig zijn om deze meevallers op de begroting vrij te maken.

Op het ogenblik zitten het CPB en de financieel-economische departementen ijverig te rekenen hoe groot die meevallers uiteindelijk kunnen zijn. Zeker is dat de begroting 1993 ingrijpend gewijzigd zal moeten worden als de definitieve ramingen van het CPB in november een even somber beeld geven van de economische ontwikkeling als de voorlopige prognose die nu bij het kabinet op tafel ligt.

Het CPB voelde zich genoodzaakt de alarmbel te luiden door de valutacrisis en de nieuwe sombere ramingen voor de Duitse economie. De drie onafhankelijke bureaus die in Duitsland de economische ramingen opstellen kwamen los van elkaar uit op een Duitse economische groei van niet meer dan 1 procent. Duitsland is de belangrijkste handelspartner van Nederland.

In een voorlopige berekening schat het Centraal Planbureau dat de verslechterde economische situatie automatisch een financiële tegenvaller op de Nederlandse begroting oplevert van 3 à 4 miljard gulden. Die tegenvaller zit, volgens het CPB, vrijwel geheel aan de inkomstenkant van de rijksbegroting. De uitgaven laten alleen een beperkte tegenvaller zien omdat wordt gerekend op een hogere werkloosheid. Door de halvering van de geraamde economische groei en een daling van de geraamde inflatie met 1,5 procent zal de minister van financiën in 1993 vooral miljarden minder inkomsten krijgen uit BTW en loon- en inkomstenbelasting. Daarbij komt nog een tegenvaller in de aardgasopbrengst van een paar honderd miljoen gulden. Zonder belastingverhoging of verlaging van de uitgaven zal hierdoor het financieringstekort fors oplopen.

Het CPB heeft in zijn berekening van de omvang van de tegenvaller geen rekening gehouden met de mogelijkheden die juist de lagere inflatie het kabinet biedt om een groot deel van de inkomstentegenvaller weg te strepen tegen lagere uitgaven zonder dat daaruit meteen draconische bezuinigingen voortvloeien, die mensen hard in hun portemonnaie raken. Dan zal echter een aantal belangrijke afspraken over de uitgaven, die het kabinet deze zomer maakte, moeten worden herzien. Dat zijn politieke beslissingen, die het CPB niet in zijn prognoses heeft verwerkt.

Op het ministerie van financiën, maar ook op andere departementen, is al een aantal mogelijkheden geïnventariseerd die de minister van financiën heeft om de tegenvaller aan de uitgavenkant van de begroting te compenseren.

In het algemeen zal een lagere inflatie een meevaller betekenen op de uitgaven van departementen. De prijsgevoelige uitgaven worden in beginsel ieder jaar aangepast aan de stijgende prijzen. Is de inflatie lager dan het percentage waarop in de miljoenennota werd gerekend dan houden de departementen geld over.

Voor 1993 gaat die regel echter niet op. Het kabinet heeft de departementen deze zomer een prijscompensatie gegeven op basis van een inflatie van 3,75 procent. Vervolgens heeft het kabinet toegestaan dat de departementen die toegekende prijscompensaties geheel gebruikten om een oude bezuinigingsschuld aan de minister van financiën te voldoen. Nu de inflatie veel lager blijkt te zijn zou de minister van financiën tegen de departementen kunnen zeggen: jullie hebben teveel prijscompensatie gehad. Het teveel betaalde haal ik terug zodat ik daarmee een deel van de nieuwe tegenvallers kan opvangen. Wat jullie tekort komen om aan je oude bezuinigingsschuld te voldoen moeten jullie maar op je eigen begroting zien te vinden.

Zo eenvoudig is het echter niet omdat er deze zomer in het kabinet een interne afspraak is gemaakt over de omvang van de prijscompensatie. Die afspraak zou dan eerst opengebroken moeten worden. Die afspraak luidt: als de inflatie hoger dan 3,75 procent is doen we niets, is de inflatie lager dan doen we ook niets.

Het kabinet kan verder zijn financiële problemen verkleinen door verlaging van de uitgaven die zijn gereserveerd voor ambtenarensalarissen, personeel in de gesubsidieerde sector en mensen met een uitkering.

Bij de posten ambtenarensalarissen en lonen in de gesubsidieerde sector was in de miljoenennota rekening gehouden met een bruto stijging van de salarissen met 3 procent. In het licht van de inflatie van 3,75 procent die in de miljoenennota was voorzien, was dat niet veel. Maar het kabinet kon zich beroepen op compenserende belastingmaatregelen. Afgezet tegen de nieuwe inflatieraming van 2,25 procent is het in de begroting '93 gereserveerde bedrag te hoog. Datzelfde geldt voor de brutostijging met 2,75 procent voor de sociale uitkeringen, die de miljoenennota als uitgangspunt heeft.

Het kabinet wint al belangrijke bedragen als het voor alle categorieën van een bruto-inkomensstijging van 2,25 procent (de geraamde inflatie) zou uitgaan. Het kan nog meer winnen wanneer het zou besluiten tot een nog lagere bruto-inkomensstijging. Die is mogelijk wanneer het kabinet het belastingplan uit de miljoenennota (onder andere een verhoging van de belastingvrije som) handhaaft. Zo'n operatie kan worden uitgevoerd zonder dat ambtenaren en mensen met een uitkering er in koopkracht op achteruit gaan ten opzichte van de inkomensontwikkeling die het kabinet voor deze groepen in de miljoenennota '93 in petto had.

Voor volledige handhaving van het belastingplan is in de nieuwe situatie echter weer een nieuwe politieke beslissing nodig. Het kabinet heeft deze zomer namelijk afgesproken dat bij een lagere inflatie de verhoging van de heffingsvrije som in de loon- en inkomstenbelasting voor 1993 niet doorgaat. Het geld dat daardoor beschikbaar komt zou gebruikt worden voor het opvangen van de tegenvaller in de aardgasopbrengst.

De forse beperking van de stijging van de bruto-salarissen en uitkeringen wordt voor het kabinet moeilijker als werkgevers en werknemers zich niets aantrekken van de gewijzigde economische omstandigheden (vooral de lagere inflatie) en afspraken maken over relatief hoge bruto loonstijgingen. Niet alleen komen daardoor de werkgelegenheid en de economische groei verder in gevaar, er ontstaan inkomensverschillen die ver uitgaan boven wat in de begroting '93 als wenselijk was voorzien. Dat verklaart van de zijde van het kabinet de spoed waarmee het met werkgevers en werknemers om de tafel is gaan zitten.

    • José Toirkens