Markiezin: galant spel in klassieke komedie

Voorstelling: De Markiezin (The Marquise) van Noël Coward, vertaald door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch. Spelers: Anne-Wil Blankers, Willem Nijholt, Allard van der Scheer, Frans Kokshoorn, Hymke de Vries, e.a. Decor en kostuums: Herman van Elteren. Regie: Jules Royaards. Gezien: 7/10 in Orpheus, Apeldoorn.

In zijn memoires had Noël Coward niet meer dan twee zinnen over voor The Marquise. Het was 1926 en hij schreef dat jaar, op zijn 27ste, drie stukken. Eigenlijk vond hij twee wel genoeg, maar hij had nu eenmaal nog een stuk aan een actrice beloofd en hij had ook nog wel een ideetje voor a pleasant little eighteenth-century joke. “Het laatste bedrijf was een beetje zwak, maar alles bij elkaar dacht ik dat het wel een aardig avondje amusement kon opleveren.”

Dat blijkt, meer dan een halve eeuw later, nog altijd te kloppen. The Marquise, inmiddels een vrijwel vergeten tussendoortje, is de tweede produktie in de Coward-trilogie waartoe acteur Willem Nijholt en vrije-sector-producent Gislebert Thierens vorig jaar het initiatief hebben genomen. Ze begonnen met het veel bekendere Private lives, dat naar mijn smaak nog niet op het vereiste niveau van gewichtsloosheid kwam, en hopen de reeks af te sluiten met Present laughter.

De Markiezin, stijlvol en gestroomlijnd vertaald door Guus Vleugel en Ton Vorstenbosch, is qua locatie geen typische Coward: de handeling is gesitueerd in de betere kringen in het achttiende-eeuwse Frankrijk, waar een geheimzinnige markiezin met haar frivole verleden onrust komt stoken in het bedaarde leven van twee edellieden op middelbare leeftijd. Een vermakelijk knutselwerkje dat wat langzaam op gang komt, maar na het eerste exposé in zwierige vaart zijn troeven uitspeelt.

Het krijgt daartoe alle kans in deze elegante enscenering van Jules Royaards, met Anne-Wil Blankers op haar best als de manipulerende markiezin. Ze steelt de show: met haar lachjes en haar stembuigingen en haar fabuleuze timing laat ze die twee heren alle hoeken van de kamer zien. Allard van der Scheer zet er een oude schuinsmarcheerder van formaat tegenover, terwijl Willem Nijholt als de bigotte frustraat pas loskomt als zijn personage uit wanhoop de cognacfles heeft geraadpleegd. Vóór de pauze vond ik hem minder bij zijn rol passen, maar daarna krijgt zijn korzeligheid volop reliëf. Ze worden omringd door een ensemble dat alle nuanceringen recht doet, met Hymke de Vries als een dweperig verliefde dochter en Frans Kokshoorn als de droogkomische butler wiens commentaar op zijn gezicht valt af te lezen. In een decor van flakkerend kaarslicht, met een spinet in de hoek en een plafondschildering boven de verguldsels, spelen al die pruikekoppen hun galante spel alsof de klassieke komedie in Nederland een nog dagelijks beoefend genre was. A pleasant little eighteenth-century joke is het resultaat.