Kozakken zijn in oorlog met iedereen

PJATIGORSK, 14 OKT. Per rolstoel gaat pochodni-ataman Vitali op patrouille. Zwarte muts op het hoofd, zwart hemd, zwarte koppelriem: het uniform accentueert zijn fraaie baard en snor zoals het Kozakken betaamt.

Lopen kan Vitali helaas niet. Negen jaar geleden heeft hij in Nachitsjevan zijn benen verloren. Vitali diende daar vijftien jaar als majoor bij de grenstroepen van de KGB en is toen op een landmijn gestapt. Het heeft de Kozakken in Pjatigorsk er echter niet van weerhouden om hem te kiezen tot pochodni-ataman, de mars-commandant te velde, een rang die de Kozakken alleen ten tijde van oorlog kennen.

Dat de Kozakken in Rusland in oorlog zijn, is evident. Ze zijn in oorlog met de "mafia', met de "speculanten' die met "gestolen' handel winst maken, met de junks die hun moeders van hun pensioen beroven, met de scholieren die hun leraren terroriseren en het schoolgebouw vernielen, met de niet-Russen die her en der de Russen eruit willen gooien, kortom, met alles en iedereen.

“Dat jullie dat met jullie burgerlijke normen in Moskou allemaal accepteren, best. Maar wij in Pjatigorsk tolereren dat niet”, aldus Vitali. “Ons geduld is op.” “Dat is in strijd met de rechtsstaat? Ach, die christelijke moraal van jullie. De andere wang toekeren als je op de ene bent geslagen. Donder op”, vult Allen Djoe Rozoea, een Kozak met Frans bloed, gesticulerend aan. Op zijn linkermouw is een wolf geborduurd. In zijn zwarte laars heeft hij een zweepje gestoken: de “opvoeder”, handig en nodig om “mensen te behandelen die niet kunnen denken, die ziek zijn in hun hoofd”.

Gedurende 75 jaar Sovjet-macht zijn de Kozakken genegeerd. Hun bestuurlijke cultuur werd gelijkgeschakeld en hun strijders werden in het Rode Leger geïntegreerd. Dat was niet eens zozeer een straf voor hun gedrag ten tijde van de Oktoberrevolutie. Een deel van de Kozakken had toen keurig partij gekozen voor de bolsjewieken. En zij, die aan de zijde van de "witten' vochten, hadden zich onder leiding van ataman Krasnov indertijd overgegeven met de belofte dat ze zich niet tegen het nieuwe bewind zouden verzetten.

Nee, de communistische leiders hadden vooral moeite met de Kozakken omdat ze een geschiedenis hadden die hen oncontroleerbaar maakte.

Pag 5: Niemand begrijpt elkaar meer; Je weet nooit door welke schoft je beschoten zult worden

Zij waren het die tot in de vijftiende eeuw vanuit de Koeban, waar ze zich hadden teruggetrokken, ten strijde trokken tegen de "gouden horden' der Tataren. Onder hun leiding wisten de Oekraïeners zich in de zeventiende eeuw enige tijd te ontworstelen aan de Poolse overheersing. De Kozakken waren zo dé vrijbuiters van Rusland geworden die de wereldlijke macht nimmer ten volle wensten te erkennen. Alleen de tsaar kon hen iets opdragen, omdat hij direct na God kwam. De mindere goden dienden er het zwijgen toe te doen.

De Kozakken hadden daarom hun eigen gemeenschappen en hun eigen hiërarchie. De ataman van de Kozakken had een vergelijkbare positie als de goeverneur onder de Russen. Ook na de halfslachtige landhervorming, waarbij eind vorige eeuw de dorpsgemeenschap mir werd omgezet in de minder feodale zemstvo, bleven ze autonoom. De enige tegenprestatie daarvoor was, dat ze op gezette tijden hun eigen legers moesten inzetten tegen de vijand. Hetgeen ze in 1812, 1914 en 1941 dan ook met gepaste trots en navenant succes deden.

Niet bekend

Volgens Vitali leven er in de Koeban (de grensgebieden van Krasnodar en Stavropol) tenminste een miljoen. In Pjatigorsk, in het meest zuidoostelijke puntje van de Stavropolskij kraj, op de grens met de Kaukasische republieken, moeten er veertigduizend Kozakken zijn te vinden. Hoewel er zich tot nu toe niet meer dan duizend als zodanig hebben gemeld. Deze duizend hebben niettemin grootse plannen met Rusland en zichzelf. Zoals Joera, een kennis van Vitali uit diens KGB-tijd, het zegt: “Wij zijn ook voor de Kaukasische soevereiniteit. Als er maar rust en orde heerst. Vroeger ging je uit eten met een Karbardijn en dronk je samen. Een toast was altijd ons beste wapen. Nu durven de Russen niet meer 's avonds over straat, omdat je nooit weet door welke schoft je beschoten zult worden. Voor vriendschap heb je er twee nodig. Eén hand kun je niet wassen”.

Om dat tij te keren gaan de Kozakken van Pjatigorsk nu regelmatig met z'n allen op surveillance. In vol ornaat uiteraard, omdat de Kozakken voelen dat ze alleen al zo ontzag inboezemen. Zo is een groepje Kozakken er een maand geleden in geslaagd een “bende vrijwilligers”, die op weg waren naar het islamitische broedervolk in Abchazië, met de blote handen tot overgave te dwingen. Althans dat wil het gerucht. De broeders in Stavropol en Krasnodar hebben daartoe het voorbeeld gegeven. Die patrouilleren al enige tijd. Tot plezier van henzelf en angst en ergernis van brave burgers die zich 's avonds geen raad weten met de eigengereide, soms handtastelijke en niet zelden benevelde Kozakken. “Natuurlijk gebeurt er wel eens wat. Maar aan de politie kun je de openbare orde niet meer overlaten. Politie en het leger doen tegenwoordig alleen hun plicht. Wij daarentegen verdedigen ons gezin. Niets en niemand hebben we nodig”, aldus pochodni-ataman Vitali.

Rusland heeft de laatste jaren al meer dan genoeg klappen op het hoofd gehad, in het Balticum, in Moldavië en nu in de Kaukasus. Moskou doet daar veel te weinig tegen. “Wij vertrouwen de macht niet. Ook Jeltsin niet. Hij is niet besluitvaardig. Hij drijft het land naar de afgrond,” zegt Vitali. “Je weet niet wat er hier allemaal uit de Kaukasus komt. Zogenaamde Armeense vluchtelingen kopen de mooiste huizen. Overal zijn wapens. Zo wordt een glas water vertroebeld dat ooit helder was. Hier in de Kaukasus zijn nooit etnische problemen geweest. Tot voor kort sprak iedereen Russisch en begreep iedereen elkaar. Nu spreekt iedereen nog steeds Russisch maar begrijpt niemand elkaar meer. Ondertussen worden de Russen er door de lokale machthebbers gedeporteerd en kijkt de regering-Jeltsin met lege handen toe”.

Om te laten zien hoe effectief ze zijn, gaan we mee de straat op. Doelwit is de controlepost tussen de Stavropolskij krai en de republiek Kabardino-Balkarië. Vier maanden geleden is daar een heel wapentransport richting zuiden onderschept. Zes weken geleden werd de post door onbekenden beschoten. Er staat nu ter afschrikking een tank. Maar de mannen van de binnenlandse strijdkrachten, de Omon-brigades uit Rostov, en de politie-agenten kunnen wel wat hulp gebruiken, weet Joeri. Trots begint hij zijn werk. Er komt een Zjigoeli uit Ingoesjetië aan. “Goedemiddag. Kozakkenpatrouille. Papieren graag en achterbak openen”. De Ingoesjeten lachen Joeri subtiel uit. “Okee, goede reis”, antwoordt Joeri niettemin, de hand aan de pet.

De Kabardijnse politieman, die ons de hele tijd als een trouwe butler volgt, is niet erg spraakzaam. “Juist gesproken”, “volkomen correct” en “prima”, dat is zo ongeveer het enige dat Roeslan te berde brengt. Hij weet dat Joeri permanent het woord dient te hebben. De Kozakken zijn tevreden.

    • Hubert Smeets