De Tijd speelt weerbarstig stuk "De hypochonders' van Botho Strauss; Walging over de onbetrouwbare taal

Voorstelling: De hypochonders van Botho Strauss door De Tijd. Regie: Sam Bogaerts. Vormgeving: Valentine Kempynck, Marcel de Cleer. Spel: Arlette Weygers, Lucas Vandervost. Gezien: 13/10, Brakke Grond, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 17/10, elders t/m 28/10.

Het is geen wonder dat de Duitse toneelschrijver Botho Strauss in 1972 met zijn eerste stuk De hypochonders enig stof deed opwaaien. In de twintig jaar die sindsdien verstreken zijn hebben we aan hem kunnen wennen, maar destijds was hij een nieuwlichter zonder staat van dienst. Het stuk verdeelde het publiek direct in kampen van voor- en tegenstanders, maar waarschijnlijk voerden beide dezelfde argumenten aan. Dat kenmerkt Strauss, toen en nu. Hij is bij uitstek een toneelschrijver die een regisseur behoeft. Een regisseur die verliefd op hem is en bereid is ieder woord als een steen om te draaien om te zien of er een schat onder verborgen ligt.

Sam Bogaerts is zo'n regisseur, al weet ik niet goed of hij met zijn enscenering, bij het Belgische gezelschap De Tijd, van De hypochonders wel alle schatten heeft bloot gelegd. Het stuk behoort tot de weerbarstigste die Strauss geschreven heeft. Niets erin - zelfs de personages niet, laat staan de gebeurtenissen - is wat het lijkt. Wat in de ene scène met veel aplomb beweerd wordt, blijkt in de volgende onwaar, fantasie, slechts eventuele mogelijkheid. Maar de onzekerheid is niet van het sympathieke soort, de verwarring is niet het gevolg van naïveteit. En zelfs niet van hypochondrie. De onontwarbare kluwen van schijn en werkelijkheid is het produkt van het onvermogen te communiceren, Strauss' oerthema.

“En van het ene woord komt het andere” zegt Vladimir ter beteugeling van de woordenstroom van zijn minnares Nelly. Bogaerts laat acteur Lucas Vandervost iedere lettergreep van dat zinnetje uitbulderen: de walging voor het verraderlijke instrument dat taal heet, wordt daardoor een bijna lijfelijke ervaring. En toch zit er niets anders op dan zich van die onbetrouwbare taal te blijven bedienen: Strauss' genoegdoening is gelegen in de grilligheid van zijn intrige. Het thrillerachtige verhaal over een moord, dat nota bene eindigt (of lijkt te eindigen) met de moord op de moordenaar door de vermoorde, is slechts de aanleiding voor een spel vol metamorfosen en maskerades.

Het verhaal wordt in Bogaerts' voorstelling nauwelijks verduidelijkt, in die zin brengt de regisseur geen licht in de duisternis. Wat hij verheldert is het moment, de geïsoleerde scène en dat doet hij uiterst smaakvol en trefzeker, voor zijn doen opmerkelijk bedaard zelfs. Geholpen door voortreffelijke spelers heeft hij een intrigerende sfeer geschapen en tegelijkertijd een opvallend luchtige en lichtvoetige voorstelling gemaakt waarin het ongerijmde maar ook de grapjes de schijn hebben van het vanzelfsprekende en alledaagse. Het is als met de hoge berg kussens die een groot deel van de toneelvloer bedekt: die is zomaar een bed van niet eens zo abnormale afmetingen en die verbeeldt in algemenere zin de Oblomov-achtige eigenschappen van de personages.

Of deze voorstellling een geslaagde Strauss-enscenering is, vraag ik me vreemd genoeg niet af. Daarvoor fascineert het spel te zeer, van Tania Van der Sanden als de geestige en lakonieke dienstmeid, van Arlette Weygers als een raadselachtige soms verbeten, soms melancholieke Nelly, en vooral van Lucas Vandervost. Hij heeft de kwaliteiten van een Stan Laurel, ook uiterlijk. Hij hoeft alleen maar te knipperen met zijn ogen om alle aandacht te trekken en toch is geen gebaar, geen intonatie te veel.