Bevolking risicogebieden wil onafhankelijke informatie

Het gevaar voor stigmatisering van de Bijlmer als vliegrampgevoelig is reëel. Dit geldt ook voor andere dichtbevolkte gebieden onder vliegroutes nabij Schiphol. Na de ramp in de Bijlmer kan over de mogelijke lange-termijn-effecten van het ongeluk veel worden geleerd van eerdere ervaringen met de beleving van de opslag en verwerking van radio-actief afval in Borssele, de COVRA-faciliteit. Onderzoeken naar de ongelukken met de kerncentrales bij Three Mile Island en Tsjernobyl leren iets over de doorwerking van rampen.

Uit de evaluatie van de beleving van de COVRA-faciliteit te Borssele blijkt dat de mensen die rondom de faciliteit werken en/of wonen, leven met gevoelens van constante bedreiging door het idee dat zich op ieder moment een ernstig ongeval kan voordoen. Ook is geconstateerd dat na Tsjernobyl de bezorgdheid over kernenergie flink is toegenomen. Het is dan ook van belang om bij potentieel gevaarlijke activiteiten aandacht te besteden aan de psychologische gevolgen voor de bevolking in de directe omgeving.

Potentieel gevaarlijke activiteiten stuiten op wantrouwen van de betrokken bevolking. De mate van vertrouwen hangt nauw samen met wat mensen weten en voelen over de risico's c.q. voordelen van de activiteit en door de manier waarop dit past in het geheel van hun normen en waarden. Daarbij spelen zowel economische, maatschappelijke, politieke als persoonlijke overwegingen een rol. Voor een deel van het publiek is het belangrijk dat de komst van een potentieel gevaarlijke activiteit, zoals de opwekking van kernenergie in Dodewaard, de uitbreiding van Schiphol of de aanleg van de Betuwespoorlijn, werkgelegenheid en economische impulsen opleveren voor de streek of het land.

Overheersend in de perceptie van het publiek is vooral de verwachting dat een aan de activiteit gerelateerd ongeval catastrofale gevolgen zal hebben. Volgens het publiek zijn de risico's heel wat moeilijker te beheersen dan vaak oficieel wordt voorgesteld. Er is een duidelijke discrepantie tussen de risicoperceptie van het publiek en die van deskundigen.

Veel informatiecampagnes die de bevolking informeren over kernenergie werken op basis van de veronderstelling dat het publiek onvoldoende op de hoogte is van de aard van de activiteit en dat vergroting van de kennis automatisch zal leiden tot een beter begrip en daarmee tot een grotere acceptatie van de activiteit. Dit blijkt niet het geval, omdat men te maken heeft met gevoelens als angst en bezorgdheid. Mensen voor wie deze gevoelens overheersend zijn, hebben de neiging alleen die informatie op te nemen die hun angst voedt in plaats van informatie die hen kan geruststellen.

Ook de inhoud van de informatie is van belang. Technologische kennis en statistische kansberekeningen leiden niet tot een toenemend vertrouwen bij de bevolking. Het vertrouwen van de bevolking in de veiligheid van Schiphol zal niet toenemen als in de informatie de nadruk wordt gelegd op kwantitatieve en wetenschappelijke feiten. Er dient vooral aandacht te worden besteed aan de risico's en de bij de bevolking levende subjectieve beoordeling van deze risico's. Wanneer dit op een open en serieuze manier gebeurt, zullen mensen eerder bereid zijn het standpunt van overheid en bedrijf mee te wegen. Daarnaast heeft zo'n aanpak het voordeel dat onder buitengewone omstandigheden (zoals na een ongeluk) de informatievoorziening niet krampachtig hoeft te worden aangepast: er is immers al veel informatie over mogelijke gevaren ter beschikking van het publiek gesteld.

Om succesvol te communiceren, moeten de informatiebronnen zorgvuldig worden gekozen. In het algemeen blijken de bronnen waarvan men zou verwachten dat ze het meest gezaghebbend zijn (overheden, bedrijf) voor het publiek het minst geloofwaardig. Dit is voor een groot deel terug te voeren op het feit dat de betrokken instellingen onvoldoende erkennen dat kwalitatieve risico-aspecten een belangrijke rol spelen in de perceptie van de bevolking. In een situatie waarin bij grote delen van de bevolking reserves bestaan tegen de officiële instanties, heeft het weinig zin deze als spil in het voorlichtings- en informatiebeleid te gebruiken.

Voor het publiek is het belangrijker dat de bron onafhankelijk is, dan dat deze veel kennis in huis heeft over de activiteit. Bij het kiezen van de informatiebron en het medium is het tevens van belang rekening te houden met de verscheidenheid aan bevolkingsgroepen. Dit betekent dat de voorlichting het beste gesegmenteerd en via intermediaire kaders kan worden gegeven. Het belangrijkste kenmerk van de intermediaire kaders zal moeten zijn dat zij omwille van hun geloofwaardiheid geheel onafhankelijk van de instanties opereren. Concreet zou dit gestalte kunnen krijgen door de instelling van een deskundig en onafhankelijk veiligheidsbureau, waarin de bevolking participeert en dat geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door "het betrokken bedrijf' met de taak van troubleshooter voor de gemeente en vertolker van de publieke opinie.

Het vertrouwen van het publiek in de competentie van de verantwoordelijke instanties is een cruciale voorwaarde voor de publieke en politieke acceptatie van projecten met een verhoogd risico. De aanpak van de overheid van Schiphol, Dodewaard en de Betuwelijn zou in de eerste plaats gericht moeten zijn op het openbreken van het besluitvormingsproces, teneinde een dialoog tussen deskundigen, bestuurders en het publiek tot stand te brengen en zo actieve participatie mogelijk te maken. In de tweede plaats is aandacht voor een aspect van risico-management, namelijk dat van billijkheid, van belang. De overheid en het bedrijf zouden verzekeringscontracten kunnen (mee-)financieren voor de lokale bevolking en zorgen voor compensatieregelingen. De bevolking die wordt geconfronteerd met de risicovolle activiteit ondervindt tenslotte onevenredig veel last in verhouding tot de positieve effecten voor degenen die ervan profiteren.

Voor de betrokken instanties is het essentieel steeds in het achterhoofd te houden dat acceptatie niet alleen afhankelijk is van een goede en gewetensvolle toepassing van technische processen, maar in nog belangrijkere mate van institutionele vormgeving van een risicomanagementbeleid.

    • Mariëtte Glim