Windingen

La Gomera, vijftienhonderd kilometer ten zuidwesten van Cádiz.

Ons dal is groen. Er zijn bamboe-achtige rietvelden. Er staan vijgcactussen en dadelpalmen, bomen met bananen, mango's, avocado's en sinaasappels. Trapsgewijs opklimmende akkertjes worden gestut door muren die ritselen van de hagedissen. Water vloeit bereidwillig door betonnen goten.

Deze gecultiveerde weelde wordt omsloten door kale bergen, enorme brokken rood of zwart gestolde lava, naar buiten gebarsten aardinhoud, die honderden meters vrijwel rechtstandig oprijzen uit zee. Harde, beproefde paden voeren in talloze windingen omhoog. En de zon! Laaiend! Momenten dat het voelt alsof je in een steenoven loopt.

Nu komen we een stel oudere mensen tegen. Ze zijn met de bus naar het volgende dorp gegaan en hoeven alleen maar af te dalen.

“Grüsz Gott”, zeggen deze mensen.

“Sie sind aus Bayern?”

“Wir sind aus Österreich.”

“Ach”, zeg ik, “deshalb Grüsz Gott!” Wat zij heel bedenkelijk vinden. Is Grüsz Gott niet de gewoonste zaak van de wereld? Dat heeft toch geen verklaring nodig?

Op de hoogvlakte een schuurtje met schaduw. Een paar dorre geiten. Wat vogels betreft: Berthelots pieper, als een graspieper, maar grijzer en alleen op de Canarische Eilanden en Madeira.

    • Koos van Zomeren