Rol RLD in onderzoek omstreden

De leiding van het onderzoek naar de ramp in de Bijlmer is bij de Rijksluchtvaartdienst in verkeerde handen. Dat is de strekking van de Luchtvaartongevallenwet, die door Tweede en Eerste Kamer is goedgekeurd. Zij zetten de minister vorig jaar onder druk om de wet te wijzigen.

ROTTERDAM, 13 OKT. Een onderzoek naar een Nederlands luchtvaartongeval in handen stellen van de Rijksluchtvaartdienst (RLD) kan gemakkelijk leiden tot het vermoeden van belangenverstrengeling. Dit is gebleken uit de naweeën van een Zeeuws vliegtuigongeluk in 1989. Het betrof een klein incident in vergelijking met de ramp in de Bijlmer. Niettemin gaf het haarscherp aan dat de RLD uitermate snel wordt aangewezen als partij die betrokken is bij een ongeval - en dus onder de verdenking staat dat ze geen onafhankelijk feitenonderzoek kan doen.

Bij het ongeluk in Zeeland, op het vliegveld Midden-Zeeland in Arnemuiden, raakten op zondag 2 april 1989 een vlieginstructeur en een leerlingvlieger ernstig gewond, nadat het toestel van de twee in een klimvlucht tegen een vallende lierkabel was gevlogen. “De kabel sloeg om de voorrand van de linkervleugel”, constateerde het onderzoek later, “en zaagde zich in de linker vleugelwortel”. De leerling-vlieger overleed korte tijd na het ongeluk, de instructeur liep blijvend letsel op.

Het vooronderzoek dat vervolgens door het ministerie van verkeer en waterstaat in handen van de RLD werd gesteld, had een opmerkelijk verloop. Procedureel is het zo geregeld dat de directeur-generaal van de RLD, een Haagse topambtenaar die direct onder de minister ressorteert, de leiding van een vooronderzoek heeft. Voor het feitelijke onderzoek stelt hij doorgaans ambtenaren aan van de directie luchtvaartinspectie, die onder de RLD valt. Zo is het ook in het Bijlmer-onderzoek gegaan: formeel is het vooronderzoek in handen van de directeur-generaal van de RLD, mr J.W. Weck, de feitelijke leiding komt toe aan de directeur van de Luchtvaartinspectie, ir. H.N. Wolleswinkel. Het rapport dat straks onder leiding van Wolleswinkel wordt geconcipieerd, gaat daarna naar de onafhankelijke Raad voor de Luchtvaart, die aanbevelingen doet en deze vervolgens aan de minister voorlegt.

In de Zeeuwse kwestie stelde de toenmalig directeur-generaal van de RLD het vooronderzoek in handen van F.A. van Reijsen - ook hij speelt een belangrijke rol in het team dat de Bijlmer-ramp momenteel onder de loep neemt. Gedurende het onderzoek wees de advocaat van de vlieginstructeur, mr. A.A. de Wijs uit Amsterdam, op het feit dat de RLD mogelijk blaam trof bij de toedracht van het ongeval.

De RLD is immers niet alleen het orgaan dat de luchtverkeersleiding in handen heeft. Het is ook belast met (het toezicht op) vliegtuigonderhoud, met luchtvaartterreinen, met luchtwaardigheid, met luchtvervoer en -infrastructuur - met vrijwel alles dat in de luchtvaart omgaat.

Bij het Zeeuwse ongeluk veronderstelde advocaat De Wijs nalatigheid van de RLD op het punt van de in Arnemuiden toegestane start- en landingsmogelijkheden. Op grond van die enkele veronderstelling koos de toenmalig minister, drs. N. Kroes, eieren voor haar geld. Achter gesloten deuren wees ze op verzoek van de advocaat alsnog een onafhankelijk vooronderzoeker aan, een vice-president van de Haagse rechtbank, mr. G.W.M. Bodewes. “De advocaat maakte duidelijk dat er sprake kón zijn van een vermenging van belangen: de RLD was de onderzoekende en een betrokken partij”, aldus Bodewes nu. Het uiteindelijke onderzoeksresultaat, stelt de rechter vast, maakte echter duidelijk dat de RLD geen blaam trof. De vlieginstructeur is inmiddels in dienst van de RLD getreden.

De dubbelzinnige positie van de RLD bij onderzoekingen naar luchtvaartrampen kwam begin vorig jaar ruimschoots aan de orde in de Tweede Kamer, toen daar de Luchtvaartongevallenwet werd behandeld. Deze moet de door minister Maij-Weggen als verouderd getypeerde Luchtvaartrampenwet uit 1936 vervangen. Het nieuwe ontwerp van wet, zoals dat de Kamer werd voorgelegd, bevatte al een structuur die meer onafhankelijkheid van de vooronderzoeker garandeerde. Maar de Kamer vond het niet ver genoeg gaan.

Het overgrote deel van het parlement had ernstige kritiek op de machtige positie die de RLD ook in de nieuwe Luchtvaartongevallenwet kreeg toebedeeld. Ook de coalitiepartijen CDA en PvdA konden zich niet vinden in de mogelijkheid die het wetsvoorstel bood de directeur-generaal van de RLD toch nog tot vooronderzoeker te benoemen.

Maij's partijgenoot Frissen had een aantal prangende vragen. Zo wilde hij weten “waarom in Nederland een van het ambtelijk apparaat gescheiden onderzoeksbureau niet haalbaar is”. Hij vroeg zich af of “de machtige positie van de RLD in de luchtvaartwereld” niet “snel en zeker” een ongewenste belangenverstrengeling in de hand werkt. “Bij vrijwel elk ongeval in de luchtvaart speelt de RLD in meerdere of mindere mate een belangrijke rol, terwijl die RLD nu juist een rol kan spelen in elk onderzoek dat na een ongeval start.”

Ook de PvdA legde de vinger op de zere plek. “Wij willen hier van de vaste regel afwijken en, net als in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië het geval is, een onafhankelijk vooronderzoeker”, aldus woordvoerder Feenstra. “Wij hechten sterk aan de onafhankelijkheid.”

De minister verzette zich. Ze wees erop dat “het aantal deskundigen in Nederland zonder belangen (...) zeer beperkt” is. “In een klein land met weinig luchtvaartongevallen zou een volstrekt onafhankelijke onderzoeksautoriteit te klein en te zwak zijn om (...) bij het ongevallenonderzoek een goed produkt af te leveren.”

De Kamer zette de minister voor het blok. Ondertekend door de woordvoerders van de drie grote partijen bracht ze een amendement in stemming om de onafhankelijkheid van het vooronderzoek te garanderen. In de memorie van toelichting wezen de indieners erop dat het Luchtvaartverdrag van Chicago, basis voor de nieuwe Nederlandse wetgeving, een onafhankelijk onderzoek voorschrijft. “Vandaar dat hier wordt voorgesteld het [vooronderzoek - red.] los te maken van de RLD en onder de directe verantwoordelijkheid van de minister te plaatsen.” Het amendement werd vorig jaar met algemene stemmen aangenomen, de Eerste Kamer nam het geamendeerde wetsontwerp afgelopen juni aan. Alweer: met algemene stemmen.

Het veertig man tellende internationale onderzoeksteam waaraan de RLD nu leiding geeft, kent overigens weinig onafhankelijke vertegenwoordigers. Zowel Boeing, El Al, motorenfabrikant Pratt & Whitney als de Amerikaanse en Israelische zuster van de RLD zitten erin. De Israelische RLD is belast met de controle op het onderhoud dat El Al moet verrichten, de Amerikaanse RLD (FAA, Federal Aviation Agency) moest dat doen in zoverre het El Al-toestel het Amerikaanse luchtruim bestreek.

De meeste deskundigen wijzen er evenwel op dat een dergelijke samenstelling van een onderzoeksteam een internationaal gebruik is. F.G. von der Dunk, co-directeur van het Instituut voor Lucht- en Ruimterecht in Leiden: “Dit is de beste manier om bij zo'n onderzoek de juiste expertise in huis te halen.” Gevaar voor een verstrengeling van belangen vrezen de deskundigen niet.

Resteert de vraag waarom Maij-Weggen, anders dan het parlement vorig jaar voor ogen stond, het onderzoek toch onder leiding van de RLD heeft gesteld. Het formele argument - dat de nieuwe Luchtvaartongevallenwet nog niet in het Staatsblad is verschenen - gaat niet volledig op, menen diverse deskundigen. Ook de PvdA-fractie is daarvan doordrongen, zo bleek vanmorgen. Het is in Den Haag immers gewoonte geworden dat bewindslieden beleid baseren op wetgeving die nog niet formeel is ingevoerd.

Men kan slechts speculeren over de vraag waarom de minister daartoe niet overging. Mr.W.P. Heere, docent Lucht en Ruimtevaart in Utrecht, noemt een kwestie die daarbij een belangrijke rol kan hebben gespeeld. Advocaten van de benadeelde partijen pogen bij dit soort onderzoek niet zelden hun schadeclaims aan het adres van de meest kapitaalkrachtige partij te richten. Dat zijn per definitie de nationale luchtvaartautoriteiten, de RLD dus. “In dit geval zal dat niet anders zijn”, zegt hij. “De aansprakelijkheid van El Al is beperkt; die van Boeing ook. Voor de RLD geldt dat niet. Vandaar dat men vaak probeert een fout bij de luchtvaartautoriteiten te ontdekken.” Enige bescherming van de RLD kan daarom geen kwaad. Bijdragen: Harm van den Berg