Politiek bestel is toe aan andere stemprocedure

In de beschouwingen die Ben Knapen en J.W. Oerlemans op 12 september respectievelijk 3 oktober schreven over de zwakke punten in ons politieke bestel, zien we de schaduwzijden van onze democratie duidelijk voor ons. Aan therapie komen zij echter nauwelijks toe. Het verlossende woord weet vermoedelijk ook niemand. Daarvoor is het te complex. Wat we hoogstens kunnen doen is de problemen op één strategisch punt aanpakken, in de hoop dat daardoor toch heel wat verkeerd werkende dingen kunnen worden opgeruimd. Misschien is er zelfs een eenvoudige oplossing, zoals verandering van de stemprocedure in ons parlement.

De politici, de bureaucratie en het "middenveld' kunnen in hun onderlinge verstrengeling veelvuldig de burgers onder de voet lopen omdat maatregelen altijd met een meerderheid van niet meer dan 51 procent in het parlement kunnen worden doorgedrukt. Daardoor kunnen minderheden gemakkelijk worden overstemd. Zoals met het plan-Simons, dat nadelig is voor de particuliere verzekerden. Dit is een minderheid en dus kon worden beslist over hen en zonder hen. Er is zelfs niet aan gedacht via een enquête hun mening te peilen. Dat is symptomatisch voor allerlei geregeer. Er zijn minderheden die nooit meerderheid zullen kunnen worden en die dus altijd blootstaan aan voor hen nadelige maatregelen: allochtonen, gehandicapten, ondernemers, intellectuelen, om maar enkele zeer uiteenlopende groepen te noemen.

Het merkwaardige is dat beslissen met 51 procent langzamerhand het plechtanker van de democratie is geworden, het beslissende kenmerk dat haar onderscheidt van de dictatuur. Maar het verschil tussen beslissen met 51 en met 49 procent behoeft helemaal niet groot te zijn. Stel dat de meerderheid bepaalt dat een bepaalde groep niet in zee mag zwemmen, of geen telefoon mag hebben, is dat nog democratie? Dat zal wel niemand durven beweren, maar daaruit blijkt dat de maatstaf van 51 procent niet beslissend behoeft te zijn. Het gaat niet om het veilig stellen van de rechten van de meerderheid, maar om het veilig stellen van de rechten van minderheden. Vroeger zochten we dan ook in het laatste de kern van de democratie. Eigenlijk zou er moeten worden beslist met algemene stemmen, maar dat is natuurlijk onpraktisch. Daarom behelpen we ons met de norm van 51 procent maar dat is echt niet meer dan behelpen. Tussen honderd procent en 51 procent ligt nog een groot tussengebied.

Om de rechten van minderheden te beschermen en om het niet al te gemakkelijk te maken over hen heen te walsen, zou men voor maatregelen, die duidelijk rechten aantasten, in het parlement een meerderheid van 76 procent kunnen vergen. Er worden altijd rechten aangetast door lastenverhogingen. Daarom zou te overwegen zijn voor alle verhogingen van sociale lasten en belastingtarieven de hier vermelde gekwalificeerde meerderheid te eisen. Ik denk dat het ook wenselijk is over te voteren uitgaven en hun voorgestelde financiering steeds in een simultane beslissing te stemmen, zodat de lusten en de lasten van de betrokken maatregelen altijd tegen elkaar worden afgewogen.

In de leer van de openbare financiën zijn af en toe denkbeelden in deze richting opgedoken, maar die zijn nooit verder gekomen dan studeerkamers. Het wordt nu tijd aan praktische verwezenlijking te gaan denken.

Natuurlijk is voor stemmen met gekwalificeerde meerderheid grondwetswijziging nodig, maar dat doen we tegenwoordig wel voor minder belangrijke zaken. Er zal onder zo'n stelsel in het algemeen ook worden geregeerd met brede in plaats van met smalle meerderheden, maar juist dat komt de rechten van minderheden ten goede. Als we denken aan vier grote partijen in ons land, zal het doen van dure verkiezingsbeloften wellicht ook minder aantrekkelijk worden, want de kans dat men die waar moet maken is niet langer één op twee, maar drie op vier.

    • F. Hartog