Politici zijn bang voor primaat van de moraal; Moet de politicus niet ook de hand in eigen boezem steken?

Bij het horen van het woord "ethiek' - Hirsch Ballin wees erop - wordt de Nederlandse politicus overvallen door gêne. De minister verklaarde de allergie voor ethiek uit het liberale karakter van de hedendaagse Nederlandse politiek. Politici van links en rechts zouden allen min of meer "liberals' zijn en uiterst beducht voor morele stellingnamen. Het is de vraag of de minister met zijn verbinding van waardenrelativisme en liberalisme de spijker op zijn kop slaat. Zo profileert de liberaal Bolkenstein zich in het minderhedendebat zeker niet als een der rekkelijken op het terrein van de moraal (allochtonen moeten zich aanpassen aan Nederlandse mores).

Een betere verklaring voor de huiver voor ethiek is wellicht dat er in de Nederlandse politiek een dwingend primaat bestaat van het financieel-economische denken: niet alleen bij de overheid, maar ook bij de burger. Het is in dit verband betekenisvol dat juist de overheid de burger calculerend is gaan noemen. De overheid is in toenemende mate gaan denken in waardevrije termen van winst en verlies. De burger heeft het voorbeeld gevolgd - hij rekent -, maar zijn gedrag wordt in een variant op hetzelfde woord moreel afgekeurd - hij is berekenend.

Het is inmiddels zo gebruikelijk politieke vraagstukken vooral als financiële problemen te zien, dat er voor andere invalshoeken weinig ruimte overblijft. Het gaat om een dominante denkstijl die samenhangt met de enorme rationalisering in alle denkbare publieke en private levenssferen (rationalisering betekent ook letterlijk "berekening'). In het armoede-debat van de jaren tachtig kwam duidelijk aan het licht dat politici en burgers aan een soort bewustzijnsvernauwing leden: de discussie ging uitsluitend over de hoogte van de uitkeringen. "De' politiek reduceerde een groep stelselmatig tot hun uitkering: de minima. Dit neutrum duidde nauwelijks concrete mensen aan: men kon er niet in het enkelvoud over spreken. Pas toen de deprimerende debatten over de Eenmalige Uitkering (1981 tot en met 1987) enige tijd achter de rug waren werd een nieuw, meer kwalitatief gezichtspunt ("maatschappelijke participatie') aan de armoede-discussie toegevoegd.

De diagnose van Hirsch Ballin dat de vervreemding tussen burger en overheid en tussen electoraat en politiek alles te maken heeft met de vertechnisering van het publieke debat en het politieke discours is juist. Politici denken en spreken in een semi-neutraal, financieel-economisch jargon. Het is makkelijk want vrijwel alle problemen kunnen erin worden vertaald. De vertaling van maatschappelijke problemen in financiële termen is één van de belangrijkste symptomen van de verdringing van het politieke.

Men kan zich afvragen waar de hegemonie van het financiële taalgebruik mee samenhangt. Uit ons onderzoek is gebleken dat in de politiek een grote weerstand bestaat tegen moreel taalgebruik. Het financiële idioom werd gebruikt om de discussie technisch en rationeel te houden. De maatschappelijke groeperingen die in de jaren tachtig gretig van het woord "armoede' gebruik maakten, hadden de zwakke plek van de politiek goed door en trachtten de discussie te moraliseren. Hierdoor dreigde het debat emotioneler te worden. Het technisch idioom was de dam die werd opgeworpen tegen emotionalisering van het debat. Degene die emoties toelaat in het debat wordt door de politici in Nederland nauwelijks serieus genomen. Alleen rationale argumenten tellen. In de jaren tachtig werd moralisering uitdrukkelijk niet op prijs gesteld door de politici: men ervoer dat als onnodige en misleidende polarisatie van de politieke discussie door buitenstaanders. Het is ironisch dat Hirsch Ballin nu de kerken om steun vraagt bij het morele appel op de samenleving. In de armoede-discussie bracht het morele appel van de kerkelijke organisaties het CDA in verlegenheid.

Opvallend is dat wanneer een controversiële kwestie de politiek bereikt, ze zo snel mogelijk lijkt te moeten worden ontdaan van emotionele aspecten. Lukt dit niet, dan verdwijnt het onderwerp in de ijskast. Men zoekt de luwte om beslissingen te nemen. Emotie wordt gelijkgesteld aan onbeheersbaarheid, irrationaliteit aan onberekenbaarheid. De politicus heeft zich ontwikkeld tot een op-en-top verstandsmens. Een voorbeeld daarvan is de leider van de PvdA Kok, die een weerbarstige relatie heeft met het overbrengen van "gedrevenheid'. In zijn rol van minister van financiën moet hij de rationaliteit bij uitstek belichamen. Deze rol ligt hem beter. Het probleem is echter, dat politici en de politiek op deze wijze de burgers nauwelijks aanspreken. In de huidige politieke praktijk op het Binnenhof worden burgers niet of nauwelijks gerepresenteerd door hun vertegenwoordigers. Gedreven of emotionele momenten zijn zeldzaam.

Het "ethisch reveil' van Hirsch Ballin is sterk geïnspireerd door de cultuurkritiek uit Amerikaanse hoek (Lasch, MacIntyre). Hirsch Ballin wijst met bestraffende vinger naar de samenleving die sterk hedonistisch en relativistisch zou zijn en is iets te sterk geneigd de problemen te zoeken bij de burger. In zijn verhaal functioneert de politicus vooral als degene die iets zou kunnen en moeten veranderen in de geestesgesteldheid van de burger. Het betoog is teveel dat van de wetgever die meent de samenleving van bovenaf te kunnen sturen. Slechts zijdelings komt de vraag aan de orde: is de politieke cultuur niet ook aangetast door de "morele crisis'? Moet de politicus niet ook de hand in eigen boezem steken?

Dat er iets mis is met de politieke cultuur, is al door velen gesignaleerd en dat de politici daarover veel praten, maar er opvallend weinig aan doen ook. Een groot obstakel voor het in praktijk brengen van de ideeën van de minister lijkt ons de grote weerstand binnen de politiek tegen het primaat van de moraal. Het zou te prijzen zijn als de PvdA in navolging van het CDA meer "timmert' aan een ideologisch kader. Voor het electoraat wordt dan ook duidelijker wat de politici in het parlement precies bezielt. Het verminderen van de schroom voor ethische uitspraken in het parlement zou ook de explosie van de fantoomachtige "publieke debatten' (waar worden ze gehouden, wie doen er aan mee en in welk stadium bevinden ze zich?) kunnen afzwakken.

Op dit moment heeft het er veel van weg dat de politiek vooral in morele discussies is geïn- teresseerd als dat haar goed uitkomt met het oog op bezuinigingen of om de negatieve effecten te maskeren die ze zelf heeft uitgelokt. Dat is ongetwijfeld één van de redenen waarom de nieuwe flinkheid in de Partij van de Arbeid en het CDA een bliksemcarrière heeft gemaakt: het is echter nogal makkelijk om de burger moreel onder spervuur te nemen. Van een werkelijk primaat van "de moraal' kan pas sprake zijn als de moraal niet alleen de burger, maar ook de politiek zelf onaangenaam mag treffen: aan het principe van wederkerigheid is vanouds veel waarde gehecht in de ethiek ("wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet').

Het is overigens niet goed bij "moraal' uitsluitend te denken aan een thematische moraal. In de politiek telt ook de procedurele moraal. De wetgevende macht is alleen "fatsoenlijk' als zij zich aan zo'n procedurele moraal houdt. Doet zij dat niet, dan raakt de burger het vertrouwen in de overheid kwijt. Daarom is de kwaliteit van de wetgeving van groot belang voor de geloofwaardigheid van de politiek. De kansen op een aanscherping van de procedurele moraal zijn groter dan die van de thematische moraal. Mocht de ethische dimensie in de jaren negentig contouren krijgen, dan zal het vooral De PvdA profileert ook in die richting

In NRC Handelsblad maakt H.A. van Wijnen intussen de geesten rijp met zijn ontwerpschetsen van "Het handboek voor een nieuwe Ethiek in de Overheidsdienst' (19 september en 3 oktober). Het zijn anekdotes uit "het Oude Testament van de sociaal-democratie' die hem bij het schrijven inspireren. Hoofdpersoon daarin is oud-premier Drees. De anekdotes gaan over de onkreukbaarheid, degelijkheid en zuinigheid van vader Drees. Kok wordt regelmatig - impliciet dan wel expliciet - met Drees vergeleken (“Streng en rechtvaardig is het boegbeeld van Kok. Laat dat maar het boegbeeld van de hele PvdA zijn”, zei PvdA-voorzitter Felix Rottenberg in een interview met deze krant) Het draagt ongetwijfeld bij tot een duidelijkere profilering van de leider van de PvdA. Maar of Kok ook de door Hirsch Ballin zo gewenste politieke hartstocht inbrengt, is twijfelachtig. De thematische moraal gaat de politiek vooralsnog uit de weg. Toch zit hierin het wezen van het politieke métier: een politicus is een retoricus, een ethicus. Politiek kan niet zonder polarisatie, vrienden en vijanden. Wanneer de politiek explicieter in morele termen durft te spreken, wordt ze voor de burger herkenbaarder en als schouwspel aantrekkelijker.