Moeders in de bomen Storm. New Writing from ...

Moeders in de bomen Storm. New Writing from Mexico. Cape, (Nilsson & Lamm) 143 blz.ƒ40,60

Romantisch absurdist Hollands Maandblad, 1992/10. Uitg. Veen, 42 blz.ƒ9,25

Moeders in de bomen

Het platteland met zijn eeuwenoude legendes en mythen, de eigen identiteit en de Revolutie: jonge Mexicaanse schrijvers vinden deze thema's nu wel voldoende uitgekauwd en zoeken naar nieuwe onderwerpen. Ze vinden vooral zichzélf, zo blijkt uit een dubbel themanummer van het Engelse tijdschrift Storm. De eigen, hoogstpersoonlijke verbeelding is in de hedendaagse Mexicaanse literatuur een belangrijker bron aan het worden dan het gemeenschappelijke verleden. Die individuele werelden vertonen een schitterende verscheidenheid die boeiender is, volgens de samensteller, dan de door de tijd geplette paden van de "exotische ander'.

Het gaat in dit nummer inderdaad om betrekkelijk jonge schrijvers; dertigers zijn ze allemaal, en drie van de tien zijn vrouwen. Een in Egypte geboren Italiaan die sinds zijn veertiende in Mexico woont, Fabio Morábito, opent met een verhaal uit Slow Fury dat een "ode aan vertalers' wil zijn, en een krankzinnig verhaal over wildhitsige moeders die elk jaar in de maand juni buitenshuis een prooi zoeken om hun grofste zinnelijke lusten op te botvieren. Wee de gegrepene: “Caught in the pincer of her massive thighs, he wriggled like a worm in a bird's beak. The mother could have her way with him for the whole of June.” De meeste moeders gaan, als ze niet meteen een man of jongen te grazen kunnen nemen, boven in een boom liggen wachten op een voorbijganger. Naakt, dagenlang, wet and dripping. Tot juni voorbij is en ze plaats maken voor de vruchten aan de bomen.

In het tweede verhaal, van Jaime Moreno, valt een vermoeide jager in slaap op een warm plekje dat de volgende morgen begint te bewegen maar toch geen aardbeving is - het warme plekje is een hert dat in zijn gewei een lang verloren gewaand horloge draagt. Francisco Segovia vertelt van een vampier die zijn gedrag laat dicteren door de letters op nummerplaten van auto's: SIN, O BEY, B(ea)ST enz., tot IXY (I Cross You) hem onschadelijk maakt.

Slechts een enkel verhaal heeft niets van dat Latijnsamerikaanse fantastische en zou van vrijwel elke warme plaats ter aarde afkomstig kunnen zijn.

Luis Humberto Crosthwaite, de enige auteur wiens leeftijd onvermeld bleef, verwierf in Mexico erkenning, en terecht, met een verhaal waarin een Mexicaanse vrouw nu eens geen slechte Elvis-imitator oppikt bij de stranden vlakbij de grens met Amerika, niet een van de talloze nep Jim Morrisons, Janis Joplins of Jimi Hendrixen, maar de echte King, weliswaar mager en verlopen, maar Elvis Presley ofwel Mr America zelf. Samen steken ze de zwaarbewaakte grens over, letterlijk levensgevaarlijk verliefd.

In de roman They're Cows, We're Pigs laat Carmen Boullosa een opgepikte Vlaamse schipbreukeling, aan boord van een zeventiende-eeuws piratenschip, aan het woord. Hij is een onaangepaste, overgevoelige man die de veelvuldige verkrachtingen, martelingen en moorden van de piraten afkeurt. Toch neemt hij er in de Caraïbische wateren volop aan deel, om dan na afloop de gewonden te verzorgen en de doden te beklagen.

In het geval van Josefina Estrada's drie korte verhalen in "Extravagant Behaviour', over volslagen uit elk gareel geraakte, krankzinnige zwerfsters, is het niet goed uit te maken of de schrijfster magisch-realistisch of juist heel bitter realistisch wilde zijn.

Het kan niet alleen maar aan de gastredacteur van dit nummer liggen, Pedro Serrano. Ook eerdere nummers van Storm maakten indruk. Het blikveld is met dit Mexico-nummer verruimd van Oost- en Midden-Europa - de eerste zes nummers - naar een heel ander continent. Engeland heeft er met Storm een prima nieuw literair tijdschrift bijgekregen, ook al kregen de Engelse letteren tot nu toe nog geen enkele aandacht.

Storm. New Writing from Mexico. Cape, (Nilsson & Lamm) 143 blz.ƒ40,60

Romantisch absurdist

Het nieuwe nummer van Hollands Maandblad heeft niet minder dan zes korte verhalen te bieden. Geert van der Kolk (1954, woont in de VS) opent met "De gekken van Tenakee', dat speelt in Canada. De ik-figuur, een schrijver, zoekt daar rust om te werken en vindt een kamer van waaruit hij alleen bergen en een baai ziet, en soms orca's en dolfijnen. Tot hij gezelschap krijgt van een nogal verlopen vrouw en drie biologen, van wie er een haar jonge lover is. Van der Kolk lijkt eindelijk zijn zwakste punt verbeterd te hebben, terwijl zijn sterke kant gebleven is. Hij is nog steeds boeiend en sober, maar zijn Nederlands is er erg op vooruit gegaan. Hooguit een enkele keer zien zijn zinnen er uit of ze slecht uit het Engels vertaald zijn: “Het was niet dat Bob lelijk tegen haar deed”. Van der Kolk zoekt zijn stof graag op ontmoetingsplaatsen als café's en bars, waar mensen elkaar of hem hun levensverhalen vertellen en de observerende schrijver zelf buiten schot blijft.

“Eerlijk gezegd wil ik van alle mensen die ik in levenden lijve tegenkom, weten: wat drijft hem of haar eigenlijk, wat zijn haar of zijn zieleroerselen?” Maarten Biesheuvel vertelt van zijn jaarlijkse bezoekjes aan Rudi Fuchs en Nelleke van Maaren in Little Snoring. Hij werd zeven jaar lang geobsedeerd door de vraag wat voor een man ere-admiraal John Wyntham Cremer, eigenaar van een nabijgelegen landhuis, moet zijn geweest. “Ik ben steeds minder gaan schrijven omdat die ene vraag me maar bezighield. (-) Was hij een snikker, een ontroerde, een melancholicus, een rakker, een bon-vivant, een vechtjas, een humorist?” De admiraal, hoofdzakelijk geïnteresseerd in ballistiek, probeerde op zijn schip een afgeschoten kanonskogel weer in de loop van het kanon op te vangen. “Hij was twee maanden bezig en toen viel een kogel op de punt van het schip, meteen door alle dekken en de bodem heen; het was een mooi rond gat, waarin een varkentje werd geplaatst, er kwam nu haast geen water binnen; omdat het diertje echter krijste vanwege het zoute en koude zeewater aan zijn billetjes, kreeg het regelmatig warme pap te eten.” Volgens zijn grafsteen was de admiraal net zo'n man als Biesheuvel: “John Wyntham Cremer, van 1892 tot 1972, Romantisch absurdist, Absurdistisch romanticus.”

Theo de Jong schreef een platrealistisch verhaal over een echtpaar dat zich verzoent na overspel. “Hij liet zijn hand in haar pyjamabroek glijden. Zij deed hetzelfde bij hem. Gretig kuste hij haar. Plotseling werd hij door benauwdheid bevangen. (-) Hij haastte zich naar de badkamer en keek in de spiegel en schrok zo van de weerzin op zijn gezicht dat hij zijn ogen neersloeg.”

Hollands Maandblad, 1992/10. Uitg. Veen, 42 blz.ƒ9,25