Meditatie

Je moet de filosofie niet alleen bestuderen, maar ook leven. Dat heeft u wel eens gelezen, maar u wist niet hoe het moest. Ik zal u helpen, deze week. Wees niet bang. Ik zal u niet de stormbaan opsturen om uw wil tot macht uit te schreeuwen, of u voor kwellende existentiële keuzes stellen. Simpele kennisleer zullen we vandaag beoefenen en de oefeningen die ik u op zal dragen zullen weinig spectaculair zijn. Licht en luchtig, niet het steunende geworstel van de levensfilosofie. Toch zullen we een nieuw gebied betreden, dat ik de filosofische pathologie van het dagelijks leven zou willen noemen.

We zullen ons eerst bezighouden met de filosofische school die er sterk de nadruk op legt dat onze wereld is samengesteld uit zintuigelijke waarnemingen. Ik zit aan mijn bureau voor de computer. Zo zeg ik dat in het dagelijks leven. Wat ik ervaar zijn beelden, tastindrukken, het zeurderig gezoem van het apparaat, de lichte geur van de verwarmingskabel die een van deze dagen door zal branden. Als ik mijn hoofd draai, zijn alle zintuigelijke waarnemingen heel anders, vooral die van het oog. Toch heb ik het idee dat er aan mijn bureau niets veranderd is. Ik wil u niet wijsmaken dat mijn bureau een illusie is. Slechts er op wijzen dat het een vermetele theoretische constructie is. Uit de bijna oneindige stroom indrukken die oog, oor, neus en hand opvangen, indrukken die met de seconde veranderen, heb ik een begrip geconstrueerd dat zichzelf gelijk blijft. Een ding, mijn bureau. Een klein kind kan dat niet. Het heeft wel de waarnemingen, maar is nog niet geconditioneerd om die te verdichten tot voorwerpen. Het ziet wat het ziet, en nog niet wat het bedacht heeft. De filosofische school waar ik het over had, was van mening dat een wetenschappelijke taal zou moeten bestaan uit woorden voor onze zintuigelijke indrukken. Niet uit namen van onze theoretische constructies, de dingen. In principe dan. In de praktijk bleek het niet te gaan.

Ik kan u wel wat dichter bij deze wetenschappelijke opvatting brengen. U gaat uzelf deconditioneren en wordt weer als een kind. U ligt op de bank en u hebt uw kleren losgemaakt. Ontspan u. Er zijn drugs die de oefening makkelijker zouden maken, maar die gebruiken we vandaag niet. U kijkt rond in uw kamer, en u beseft dat u geen voorwerpen ziet, maar slechts beelden. Als u uw hoofd beweegt, schept u een andere wereld, die niets gemeen heeft met die van een seconde geleden. Er zijn geen dingen meer, er zijn alleen zintuigelijke waarnemingen. U beseft dat een beschrijving van deze nieuwe wereld oneindig veel ingewikkelder zou zijn dan een beschrijving van de wereld van de voorwerpen, maar wel nauwkeuriger. U hebt een prettig gevoel van bevrijding van de terreur van de dingen, maar dat komt omdat het nog maar een spel is, dit experiment. Als u er echt in gelooft, zult u anders piepen.

De filosofische school die ik u beschreven heb, is het logisch positivisme. De wereld waarin ik u heb proberen mee te nemen, is die van de fobicus. Zo althans werd de angst die aan iedere fobie ten grondslag ligt, beschreven door de psycholoog Barendregt. De angst dat de dingen geen dingen zijn, maar slechts een verzameling zintuigelijke waarnemingen. Maakt dat dan verschil? Moeilijk te zeggen hoe, maar het maakt verschil. De fobicus ziet de wereld zoals die is.

De volgende oefening is nu makkelijk. U gaat de filosofische richting van het solipsisme beleven. Alleen u bestaat, verder niets. Net nog hadden we aan onze chaotische verzameling waarnemingen een zekere realiteit toegekend. De bank waarop u ligt was misschien een theoretische constructie, maar geen illusie. Nu ziet u het anders. Als er alleen waarnemingen zijn, dan is er ook alleen een waarnemer. Uw hond, die de krant heeft gebracht, uw man, die straks het eten op tafel brengt, zij zijn slechts produkten van uw verbeelding, net als het stuk dat u nu leest. Het is nu heel makkelijk om het zo te zien, u heeft zich er al op voorbereid door de dingen tot waarnemingen te reduceren. In de filosofie wordt het logisch positivisme altijd voorgesteld als de wetenschappelijke nuchterheid zelve, en het solipsisme als een perverse fantasie, maar nu blijkt dat dit niet klopt, er is geen werkelijk verschil. U vraagt zich af waar de buitenwereld, die u nu als een illusie ervaart, ophoudt, en waar uzelf begint. Uw lichaam hoort bij de buitenwereld, dat is duidelijk. Maar het zou bespottelijk zijn om de buitenwereld op te laten houden bij uw huid. Uw hoofd hoort bij de buitenwereld, de illusie. De hersenen waarmee u denkt te denken, zouden bij het "ik' horen? Dat kan niet. Net zo min als u een hersenpan heeft, heeft u hersenen. Waar bent u dan eigenlijk, wie denkt er eigenlijk? Nu bent u zover dat u beseft dat het van een ongerechtvaardigde eigendunk zou getuigen om een "ik' aan te nemen, dat denkt.

Het "ik' is weg, maar niet alles is weggetoverd. Er is iets, dat u, nog half gebonden aan uw vroegere opvattingen, zou willen weergeven met "er denkt'. Nooit meer zult u, als de zeventiende-eeuwse geleerde Descartes, het ijdele en aanmatigende "ik denk dus ik besta' uitspreken. De spreuk is vervangen door het bescheiden en nauwkeurige "er is'. En er is ook de afgrondelijke verwondering dat er iets is, en niet veeleer Niets. Toen u aan dit stukje begon, leefde u geestelijk in de zeventiende eeuw. Met een fantastische sprong bent u, als u braaf doorgezet heeft, geheel door eigen zelfwerkzaamheid in de twintigste eeuw terechtgekomen.

Nu bent u klaar voor de virtuele werkelijkheid, waar de computermensen het zo vaak over hebben de laatste tijd. Met een televisiekast aan hun hoofd en sensoren aan hun handen en voeten, bewegen de proefpersonen zich door een ruimte die geheel door de programmeurs is geschapen. Een ruimte die geen plaats inneemt. Het gaat nu nog een beetje primitief, maar dit is de werkelijkheid van de toekomst, zeggen de computervirtuozen. Vol van genietingen die de echte wereld niet kent. Het is een beetje een armeluisparadijs. Omdat de echte werkelijkheid te vol is geworden, moet het enorme leger van de onbruikbaren straks in de virtuele werkelijkheid verkeren, dat houdt de hooligans van de straat. Geloof maar niet dat de fabrikanten van de virtual reality kits straks ook met een kastje op zullen lopen door een virtuele ruimte. Ze blijven gewoon naar de tropische stranden gaan, waar het dan heel rustig zal zijn. Maar dat zijn overwegingen die u niet meer deren, want door de twee eenvoudige oefeningen die u net gedaan heeft, beseft u dat u allang in de virtuele werkelijkheid leeft. Alleen wie u het kastje heeft opgezet, dat weet u niet.

    • Hans Ree