Het is de plicht van de Duitse staat dit vuur te doven

Twee jaar geleden kwam ik op uitnodiging van het Aspen Intitute naar Berlijn - precies een week na de eenwording van Duitsland. Zevenenveertig jaar daarvoor had ik mijn geboorteplaats verlaten en mij in Israel gevestigd. Terug in een herenigd Berlijn voelde ik mij een vreemde, geïsoleerd en gedesoriënteerd.

De vrienden uit mijn jeugd waren weg. Hetzelfde gold voor mijn familie - deels geëmigreerd, deels vermoord. Het was een stad waarvan de ene helft in het licht baadde, de andere helft in een duistere sjofelheid gehuld was; een stad die samengebracht, niet samengegroeid was. De muur was verdwenen, maar een kloof tussen twee werelden was nog duidelijk zichtbaar.

De rector magnificus van de Humboldt Universiteit in Oost-Berlijn, die gehoord had dat ik daar had gestudeerd, nodigde me uit voor een ontmoeting met faculteit en studenten. Meer uit nieuwsgierigheid dan uit nostalgie nam ik de uitnodiging aan.

Ik had daar in het begin van de jaren dertig gestudeerd, een woelige tijd in Duitsland. Massale werkloosheid, sociale ellende en militant activisme. Hitlers SA'ers marcheerden door de straten. Hun tegenstanders, sociaal-democraten en communisten, marcheerden in tegengestelde richting. De politie hield zich op de achtergrond en een opeenvolgende reeks regeringen werd heen en weer geslingerd tussen besluiteloosheid over het verdedigen van de belegerde republiek en een groeiende bereidheid deze aan Hitler over te dragen.

Het geweld nam toe. Bij de verkiezingen in 1930 kregen de nazi's achttien procent van de stemmen. Op 13 oktober, de dag waarop de Rijksdag bijeenkwam, was in Berlijn de eerste pogrom tegen joden. In de officiële archieven staan, alleen al in 1930 en 1931 1480 gewelddaden vermeld, begaan door militante nazi's, waarbij 62 doden en meer dan drieduizend gewonden vielen.

De rector magnificus ontving mij vriendelijk, zij het wat gegeneerd. “Wanneer verliet u onze universiteit”, vroeg hij. “Om precies te zijn in maart 1933.” Tijdens zijn inleiding wees hij op het plein voor de staatsbibliotheek. “Daar had op 10 mei 1933 de eerste boekverbranding plaats”, zei hij. “Onder leiding van Goebbels met de strijdkreet: "Wij vertrouwen deze boeken toe aan de vlammen uit respect en eerbied voor de onsterfelijke geest van het Duitse volk'.”

Tijdens mijn inleiding refereerde ik aan het commentaar van de rector magnificus. “Was het niet Heinrich Heine die zo'n honderd jaar voor die spectaculaire gebeurtenis schreef: "Eerst verbranden zij boeken en dan zullen zij mensen verbranden'.” De fakkel was het symbool en het instrument van het nazi-regime. Een eindeloze processie huldigde Hitler toen hij in januari 1933 voor het eerst als rijkskanselier op het balkon van de kanselarij verscheen. Snel daarop volgde de Rijksdagbrand.

In 1938 organiseerden zij de Kristalnacht, waarbij in het hele land joodse woningen, bedrijven en synagogen in brand werden gestoken. Een jaar later stak Hitler de hele wereld in brand. Alles geschiedde systematisch, vanaf de auto-da-fé van de boeken tot het verbranden van de in Auschwitz vergaste mensen.

Op mijn lezing volgde gelegenheid tot het stellen van vragen. De meeste vragen gingen over de toekomst van het land. De rector vroeg: “Hoe is het mogelijk dat er nu, nog maar een paar maanden na de val van de muur, sprake is van excessen tegen buitenlanders? Herrieschoppers jagen op straat achter Vietnamezen aan, schelden Cubanen uit en molesteren Afrikanen ... Waar zal dat toe leiden? Wat kunnen we doen?”

Ik antwoordde dat het kan leiden tot een nieuwe rampzalige zelfvernietiging. Duitsers moeten zich, dag in dag uit, de tragedie herinneren die kan voortkomen uit de vervolging van vreemdelingen. Mensen moeten de zegeningen van democratische vrijheden worden bijgebracht en zij moeten, met de woorden van Thomas Paine “de inspanning van het steunen ervan verduren”. Laat de straten nooit toebehoren aan de gewelddadige horden, zei ik. De organen van de staat, aan wie het beschermen van de republiek en van allen die op haar grondgebied leven toevertrouwd is, moeten vastberaden optreden tegen het nieuwe soort nazi's.

Twee jaar na de eenwording, zijn de vlammen van de haat weer opgelaaid. Gooiers van brandbommen vallen niet slechts pas gearriveerde asielzoekers uit de Balkan aan maar ook gastarbeiders die al jaren in Oost-Duitsland wonen. De strijdkreet "Duitsland voor de Duitsers - weg met de buitenlanders' heeft opnieuw geklonken. De vlammen hebben als een bosbrand via Rostock om zich heen gegrepen. Het macabere schouwspel heeft velen aangetrokken; bij weinigen leek het een duidelijke afkeer op te roepen. De politie aarzelde de gewelddadigheden de kop in te drukken; evenals de politici, die zich beperkten tot stichtelijke vermaningen. Nu mobiliseren neo-nazi's hun commando's overal in het land en transporteren hen openlijk naar de plaats van de handeling.

Het is een misvatting dat de opruiers brand stichten en vernietigingen aanrichten uit protest tegen de grondwettelijke bepalingen ten opzichte van azielzoekers. Hun doel is de vernietiging van de democratische grondwet. Het antwoord moet niet het amenderen van de grondwet zijn, maar het vastbesloten beschermen ervan.

Toegegeven, de stroom vluchtelingen uit het ineengestorte Sovjet-rijk stelt de Duitse regering voor een groot probleem. Een poging om de stroom via administratieve stappen te reguleren is redelijk. Duitsland vraagt terecht zijn Europese partners de vluchtelingenlast te delen. Maar zolang er vluchtelingen op Duitse bodem zijn, is de staat verplicht hen te beschermen en degenen die hen aanvallen gerechtelijk te vervolgen.

Tijdens de oorlog hield Duitsland er een soort migrantenpendeldienst op na. Het importeerde dwangarbeiders en deporteerde joden naar vernietigingskampen in Polen. Na de oorlog importeerde Duitsland wederom arbeiders. Dit keer werden zij gastarbeiders genoemd en ze werden over het algemeen ook zo behandeld. Ze leverden een waardevolle bijdrage aan de Duitse welvaart. Het waren vreemdelingen, maar de bevolking tolereerde hen omdat ze goed van pas kwamen en werkgevers betaalden hen redelijk goed.

Slavenarbeiders of gastarbeiders, asielzoekers of bannelingen, allen kennen verdriet in een kille omgeving. Degenen die hen aanvallen schenden de fundamentele normen van menselijkheid. En daar waar onmenselijkheid met zo'n verschrikkelijke heftigheid heeft gewoed, moet het respect voor menselijkheid gelden als de ultieme leidraad voor politiek gedrag en overheidshandelen.

De snelle incorporatie van Oost-Duitsland in West-Duitsland heeft geweldige probemen opgeleverd. Men zal zich enorme inspanningen moeten getroosten om ze te overwinnen. De Oostduitsers zullen tijd en zorg nodig hebben om zich aan te passen aan een leven van democratische vrijheden en persoonlijke verantwoordelijkheid. Een volk dat gewend is geweest om braaf in de pas te lopen, of zich slechts te laten leiden, een volk dat geneigd is zijn verleden te verheerlijken en licht voorbij gaat aan zijn fouten, moet juist oppassen voor nieuwe plagen.

Het rottingsproces dat zich heeft verspreid van Rostock tot Sachsenhausen, waar de nagedachtenis aan Hitlers slachtoffers is bezoedeld, is aangewakkerd en gestuurd door een opperbevel van oproerkraaiers van nazi-origine. Zolang hun wordt toegestaan wordt vrij rond te lopen, zullen hun acties in schaamteloosheid en gewelddadigheid toenemen. Zoals Bismarck zei, de zwakken worden sterk door schaamteloosheid en de sterken worden zwak door geremdheid.

De strijd tegen deze nieuwe plaag, die Duitslands reputatie in het buitenland en de structuur van haar samenleving in eigen land heeft geschaad, vraagt om een energieke, gecoördineerde aanpak en een duidelijk vertoon van vastberadenheid van regering en bevolking.

De rookkolommen die avond na avond in Duitsland opstijgen vormen een bron van grote verontrusting. Zij werpen een schaduw over de goede kant van het nieuwe democratische Duitsland, dat voorbestemd is te dienen als steunpilaar van een in vrede verenigd Europees economisch, sociaal en politiek bouwwerk.

Op 3 oktober 1990, de dag van de Duitse eenwording, zei President Richard von Weizsäcker, dat "de verantwoordelijkheid voor het verleden als onmisbare kracht voor de toekomst' een vereiste is voor het succes van de verenigde republiek.

© IHT OpEd/NYT Syndicate.