Grafische bond: kleine drukkers achterbaks

ROTTERDAM, 13 OKT. Voor ruim achtduizend werknemers in de kleinere bedrijven van de grafische sector is een "CAO-loos'-tijdperk aangebroken. Het ministerie van sociale zaken weigerde gisteren op het verzoek van de vakbonden in te gaan om de collectieve arbeidsovereenkomst voor deze sector algemeen verbindend te verklaren.

Ruim een half jaar geleden bereikten de werkgevers - verenigd in het Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen (KVGO) en in de Vereniging van Kleinere Grafische Ondernemingen (VKGO) - en de vakbonden overeenstemming over een nieuwe CAO, die van 1 februari 1992 tot en met 31 januari 1993 zou lopen. Aan beide kanten van de onderhandelingstafel werd instemmend geknikt. Maar, zo meent de FNV-bond Druk en Papier, die instemming was slechts schijn. Een week later kreeg de bond een brief onder ogen, waarin de VKGO zijn leden aanraadde de CAO niet te ondertekenen. De woorden die Druk en Papier nu in de mond neemt, liegen er niet om. De VKGO wordt “een onbetrouwbare onderhandelingspartner” genoemd en beticht van “zeer achterbaks gedrag”.

De VKGO wijst de beschuldigingen van de hand. “Er lag een principe-akkoord dat het bestuur van de VKGO vervolgens met een negatief advies aan de leden heeft voorgelegd. Dat is niks bijzonders”, zegt hoofd arbeidsvoorwaarden mr. J.M. van Schaijk. De kleinere ondernemingen binnen de grafische sector wijzen de CAO voor 1992 op drie punten af: een onderzoek naar ouderschapsverlof, de absolute bedragen waarmee de lonen en vakantietoeslagen minimaal moeten stijgen en een extra vakantiedag voor werknemers van 50 jaar en ouder.

Het gevecht tussen vakbonden en werkgevers leverde vreemd genoeg twee onderhandelingsresultaten op. De grote bedrijven die zijn verenigd in het KVGO ondertekenden wèl de CAO, maar het kleinere zusje VKGO deed dat niet. Dat de VKGO - ondanks het feit dat het een subvereniging van het KVGO is - een eigen koers kan varen, is mogelijk doordat deze werkgeversorganisatie van kleinere ondernemingen sinds anderhalf jaar een zelfstandige positie aan de CAO-tafel inneemt.

Zolang onduidelijkheid heerst over welke delen van de CAO nu wel of geen overeenstemming bestaat, weigert het ministerie de overeenkomst voor de hele sector van toepassing te verklaren. Zowel het KVGO als de vakbonden hameren echter op het wezenlijk belang van de algemeen-verbindendverklaring, ook al zijn alle grafisch technici en chefs sinds 1914 verplicht lid van een vakbond en de ondernemingen verplicht aangesloten bij werkgeversverenigingen. “De CAO geldt echter ook voor administratief personeel. Bovendien is er nog altijd een schemergebied van grafische bedrijven die niet zijn aangesloten”, zegt een woordvoerder van Druk en Papier. Van Schaijk van het KVGO schat deze laatste groep op ongeveer 10 procent.

De discussie over de algemeen-verbindendverklaring speelt zich af op een voor werknemers nauwelijks zichtbaar niveau. Maar wie denkt dat een werknemer zonder CAO direct een werknemer zonder rechten en plichten is, heeft het mis. Het personeel dat onder de bedrijven van de VKGO valt, heeft bij voorbeeld gewoon een loonsverhoging van 4,25 procent gehad, zoals was afgesproken in de CAO voor 1992. Alleen de drie eerder genoemde punten worden voorlopig niet doorgevoerd.

In 1991 verleenden de vakbonden de kleinere bedrijven in de grafische sector wèl dispensatie. Toen hoefden deze niet terug van een 38-urige naar een 36-urige werkweek. Deze keer zijn de vakbonden niet van plan de VKGO haar zin te geven. “Iedere keer willen de werkgevers weer ergens anders dispensatie voor. Op deze manier worden de rechten voor een bepaalde groep werknemers uitgehold.”

    • Yaël Vinckx