Gekozen burgemeester

UTRECHT HEEFT een nieuwe burgemeester. Zonder plaats of naam te noemen schetste CDA-fractievoorzitter Brinkman gisteren in een lezing in het Rotterdamse stadhuis de toekomstige baan van de man die nu nog als directeur-generaal van het ministerie van binnenlandse zaken midden in het besluitvormingsproces zit.

“Een grijs ambtsgewaad dat de kleurloze weergave is van het gebrek aan beslisruimte dat voor elke echte bestuurder eigenlijk onaanvaardbaar is.” De burgemeester van de wat grotere plaats in Nederland heeft tegenwoordig een eervolle, maar weinig zinvolle baan. Een zichzelf respecterend gemeentebestuur zorgt er wel voor dat het takenpakket van de "van bovenaf' benoemde burgemeester tot het minimum wordt uitgekleed, om de buit te kunnen verdelen over de direct gekozenen. In feite is de welhaast traditionele commotie die aan een burgemeestersbenoeming voorafgaat omgekeerd evenredig met het belang van de functie.

De benoemde burgemeester heeft steeds meer de kenmerken van een anomalie. Met lapmiddelen zoals vertrouwenscommissies vanuit de gemeenteraad is getracht benoemingsprocedures democratischer te maken. Maar, om bij de gemeente Utrecht te blijven, wat stelt zo'n commissie nu eigenlijk voor als van te voren al uit hoofde van het "gentlemen's agreement' tussen de grote partijen vaststaat dat het een VVD'er moet zijn en - wegens de emancipatiegedachte - ook nog liefst een vrouw? Een mogelijkheid is die van de gekozen burgemeester, een suggestie die tot nu toe altijd door CDA en VVD is afgewezen. Het is geen tovermiddel, maar een optie.

Het is dan ook interessant dat, getuige de toespraak van Brinkman gisteren in Rotterdam, het CDA de discussie over de gekozen burgemeester toch weer wil heropenen. Niet meer dan dat, want de CDA-fractieleider hield ook nadrukkelijk de mogelijkheid open van een ècht benoemde burgmeester, die dus ook weer wat te doen krijgt.

DE BURGEMEESTER is voor de bevolking de exponent van het gemeentebestuur. Als gesproken wordt over het dichten van de kloof tussen burger en bestuur is een gekozen burgemeester daarvoor een middel. Temeer daar één van de weinige bevoegheden waarover de burgemeester nog beschikt de openbare orde is, een thema dat ook bij burgers leeft. Als Brinkman elders in zijn toespraak constateert dat het monisme het gemeentebestuur steeds meer in de weg gaat zitten (“de dagelijkse bestuurder heeft zich ingedekt, de algemene bestuurder heeft zich gecommitteerd”) kan hij eigenlijk niet meer om een directe verkiezing heen.

Opmerkelijk was de context waarin de leider van de grootste regeringsfractie zijn opmerkingen maakte. Het is volgens hem “de hoogste tijd dat de verschillende verantwoordelijkheden in ons land in het belang van de democratie en ter voorkoming van publiek ongenoegen weer eens scherp worden gesteld”. Constateren is één, er naar handelen is twee. Brinkman zit in een positie dat hij dat laatste ook kan, maar wanneer doet hij dat nu eens?