Gedenkteken in Bijlmer houvast in rouwproces

Bij plotseling en ingrijpend verlies, zoals wordt geleden door de nabestaanden van het drama in de Bijlmermeer, worden er veel eisen gesteld aan de psychische spankracht. Het overlijden van iemand met wie men een emotieel betekenisvolle relatie onderhield, is een trauma, een schokkende gebeurtenis waarop de meeste mensen niet onmiddellijk adequaat kunnen reageren. Het psychisch beleven en ervaren raakt verstoord, de nabestaanden verliezen hun geestelijk evenwicht. Dit geldt des te meer bij gevallen van plotseling en onverwacht overlijden. Het ontbreken van een bevestiging dat een dierbare persoon inderdaad is overleden, leidt tot extra psychische problemen.

De schok roept een psychische activiteit op: verwerking. Aanvankelijk kan men met het nieuwe gegeven niet uit de voeten, men wordt erdoor overspoeld. Het kost energie en tijd om dit de baas te worden, onder ogen te zien en zich de gevolgen ervan te realiseren. Het "ik' van degene die een geliefde verliest wordt voor de keuze gesteld: mee-sterven of rouwen, het lot van de geliefde delen of dit lot niet delen. In het eerste geval overlijdt de persoon zelf ook, pleegt suïcide of "sterft van verdriet'. Het komt ook voor dat iemand psychisch overlijdt, maar lichamelijk nog in leven blijft. De persoon komt er dan niet overheen, blijft psychisch gebonden aan en bezig met de overledene. Men kan de band niet loslaten.

Het tweede alternatief is het vasthouden aan het leven, hetgeen voldoende eigenliefde vereist. Men moet zichzelf en dus het leven de moeite waard vinden om geleefd te worden. Dit betekent tegelijkertijd het opgeven van de overledene, het aangaan en het voltooien van de rouwarbeid. Dit betekent ook het doden van de dood. In de strijd met de eigen dood, in verbondenheid met de overledenen, delft de dood het onderspit en overwint het leven. De werkelijkheid overwint hier en dat beschouwen we als normaal. Zo verlopen de meeste rouwverwerkingen.

In 1915 voerde Sigmund Freud het klassiek geworden woord Trauerarbeit in. Hij beschreef dit in zijn opstel Trauer und Melancholie. Freuds term rouwarbeid is goed gekozen; bij rouw worden de pijn en het verdriet niet als vanzelf geleidelijk aan minder, de tijd heelt niet alle wonden. In plaats van een passief proces is rouwarbeid een actieve gebeurtenis, er moet arbeid geleverd worden door de rouwende. Korte tijd na het verlies komt er bij de achtergeblevenen een psychische activiteit op gang waarin de laatste scènes die voorafgingen aan het overlijden worden herhaald. Opnieuw komt alles onder de ogen van de rouwende: dit breidt zich uit naar talloze indrukken die de overledene betreffen. Deze herinneringen komen naar boven, men huilt erbij en heeft het er moeilijk mee. De psychologische band met de dode moet worden losgeweekt. Het verlangen dat op die ander is gericht, de energie die in die ander is geïnversteerd, moet worden teruggetrokken. Dit roept verzet op, want niemand geeft iemand met wie men een emotioneel betekenisvolle relatie heeft, zomaar op, ook niet als daar een ander voor in de plaats lijkt te komen.

Dit proces van verwerking van verdriet is een extra zware opgave als men niet alleen een partner, familielid, kind of ouder heeft verloren, maar ook nog een een groot deel van of alle bezittingen. Hierbij zijn altijd dingen waaraan men bijzonder was gehecht. Dit geldt voor veel mensen die in de getroffen flats in de Bijlmer woonden.

Rouw is geen psychische stoornis, maar een psychische activiteit die noodzakelijk is om gezond te blijven. Door de tijden heen werd dit door de menselijke cultuur onderkend en voorzag deze cultuur in hulp om dit verwerkingsproces vorm te geven, de zogenaamde rouwrituelen. Vanaf de periode onmiddellijk na de dood tot na de begrafenis zijn er allerlei ceremoniën. De rouwenden zijn te herkennen door een verandering in hun uiterlijk: speciale kleding, haardracht, sieraden, et cetera. Daarna waren er de zogenaamde "rites de passage': de rouwenden konden zich formeel terugtrekken uit de maatschappij, een periode van afzondering en een formele heropname in de gemeenschap.

De rouwrituelen drukken deze ontwikkeling uit en vormen er de illustratie van. In een uitgebreid onderzoek dat Gorer in 1965 in Engeland publiceerde, bleek dat het merendeel van de Britse bevolking het zonder begeleiding moest doen bij het omgaan met de dood. Het gebrek aan geaccepteerde rituelen in de huidige cultuur blijkt gepaard te gaan met een aanzienlijke hoeveelheid onaangepast gedrag. In Nederland is dit niet anders.

De wijze waarop in Nederland op de ramp in de Bijlmer is gereageerd is psychologisch gezien weldadig. De media en de politiek hebben door de gepaste maatregelen een voorbeeld gegeven van hoe de sociale herkenning van het trauma op de rouwenden kan worden overgebracht. Hieruit sprak respect voor de doden en hun nabestaanden. Dit is een noodzakelijke hulp voor rouwenden. Het valt te hopen dat dit niet plotseling stopt nadat de doden zijn geborgen en de herdenkingsbijeenkomsten achter de rug zijn.

Na de eerste ceremoniën komen de nabestaanden in een nieuwe, hele moeilijke periode van verwerking: zeer sterk verdriet, depressiviteit, wanhoop en woede. Om hiermee goed om te gaan is eveneens hulp nodig van de sociale omgeving. Dit zou onder andere tot uitdrukking kunnen komen in de sloop van de twee flatgebouwen en het oprichten van een gedenkteken op deze plaats. Dit gedenkteken kan een houvast zijn voor de verwerking van verdiet. Zo'n houvast is extra noodzakelijk voor de nabestaanden van slachtoffers wier stoffelijke resten niet zijn gevonden.

    • Jan Derksen
    • Ankie Klein Herenbrink
    • Psychotherapeut te Nijmegen