Bescherming van cao's

De Sociaal-Economische Raad ziet unaniem geen aanleiding om de algemeen verbindend verklaring (avv) van cao's ten principale ter discussie te stellen. Dit instrument heeft zijn waarde voor het bestaan van goede en stabiele arbeidsverhoudingen in ons land, en daarmee voor een goed functioneren van de economie, intussen wel bewezen, aldus het eenstemmige ontwerp-advies van de commissie van voorbereiding.

Deze uitspraak zal geen verbazing wekken. Niemand had toch kunnen verwachten dat de organisaties van werkgevers en werknemers tot het advies zouden komen het avv-instrument maar af te schaffen. Bij de argumentatie voor of tegen avv gaat het om het afwegen van het belang van stabiele arbeidsverhoudingen tegen inperking van de contractvrijheid. Algemeen verbindend verklaring van cao's heeft als doel concurrentie op het gebied van de arbeidsvoorwaarden uit te sluiten.

Werkgevers en vakbonden vormen een soort loonkartel waar zeker bedenkelijke kanten aan zitten. De meerderheid van de SER vindt dat de economische nadelen en risico's van de avv niet opwegen tegen de voordelen. Een zekere concurrentiebeperking tussen ondernemingen in een bedrijfstak op het stuk van de loonvorming moet daarom naar haar oordeel aanvaardbaar worden geacht.

Voor het eerst na de totstandkoming van de Wet AVV in 1937 worden het avv-instrument en de toepassing daarvan fundamenteel aan de orde gesteld. Je kunt je afvragen waarom. De discussie is aangezwengeld door enkele macro-economen die over ruime publiciteitsmogelijkheden beschikken om hun mening luidruchtig kenbaar te maken.

De opvatting van de avv-kritici is in het ontwerp-SER-advies terug te vinden in een minderheidsstandpunt van de onafhankelijke leden Zalm en Nieuwenburg. Zij zijn van mening dat de minister moet weigeren cao-afspraken algemeen verbindend te verklaren als ze in strijd zijn met belangrijke sociaal-economische doelstellingen als het bevorderen van de werkgelegenheid en het verminderen van het beroep op sociale zekerheid.

Hun kritiek op het avv-beleid, zoals het thans wordt gevoerd, is dat cao-afspraken niet financieel-economisch worden getoetst maar automatisch algemeen verbindend worden verklaard.

Dit beleid werkt verstarrend en belemmert het soepel functioneren van de arbeidsmarkt. Aan een gehele bedrijfstak wordt eenzelfde loonkostenpeil opgelegd. Een onnodig hoog loonkostenpeil is slecht voor de werkgelegenheid. Het ontbreken van vrijheid voor niet-cao-partijen om op onderdelen af te wijken zien de kritici als een zelfstandig loonkostenopdrijvend en conservend element. Voor startende en kleinere ondernemingen kunnen naar hun mening de algemeen verbindend verklaarde bedrijfstak-cao's een keurslijf zijn. Deze cao's kunnen duurder zijn dan de ondernemer zich kan veroorloven.

Veel van de argumenten van de anti-avv-economen zijn niet nieuw. Ze zijn al aan de orde geweest in de heftige en lange discussies die aan de totstandkoming van de Wet AVV in 1937 vooraf zijn gegaan. Het enige nieuwe element dat zij aanvoeren is dat sedert 1937 een omvangrijk wetgevingscomplex tot stand is gekomen betreffende de sociale verzekeringen en voorzieningen, de minimumbeloning, ontslagbescherming en de arbeidsomstandigheden. Dat de avv veel minder dan destijds dient tot bescherming van de arbeiders kan nauwelijks als een relevant nieuw gegeven worden beschouwd.

De voorstanders van avv zien de verbreding van het cao-overleg als de belangrijkste functie van het avv-instrument. Er worden niet alleen meer afspraken gemaakt over loon, maar ook over immateriële zaken als de kwaliteit van de arbeid, scholing en arbeidsmarktvragen. De commissie vindt unaniem dat cao-afspraken over dit soort zaken in aanmerking komen voor algemeen verbindend verklaring.

Het algemeen verbindend verklaren van cao's vormt een hoeksteen van een redelijk uitgebalanceerd systeem van arbeidsverhoudingen. Wie daaraan wil tornen brengt dit systeem uit balans en roept volkomen onnodig onrust op. Wanneer de overheid een toetsingsbeleid zou gaan voeren en avv selectief gaat toepassen, zoals de twee onafhankelijke leden voorstellen, zou dat neerkomen op indirecte inmenging van de overheid in de collectieve onderhandelingen. Dit klemt temeer daar de toetsingscriteria vooraf aan de sociale partners bekend moeten worden gemaakt. Het valt te verwachten dat deze vereiste weer zal uitlopen op het centralistisch vaststellen van toelaatbare loonstijgingspercentages.

Terugkeer naar het looncentralisme langs de indirecte weg van de avv-toetsing verdraagt zich slecht met het beginsel van de onderhandelingsvrijheid. Daarom is het maar beter het avv-instrument te gebruiken waarvoor het bedoeld is: het beschermen van de cao en het in stand houden van stabiele arbeidsverhoudingen.

    • A.F. van Zweeden