Antwerpse voorstelling van Robert Carsen in zwart en wit; Turandot van exotiek ontdaan

Voorstelling: Turandot van G. Puccini door de Vlaamse Opera o.l.v. Silvio Varviso m.m.v. o.a. Johanna Meier, Stefan Dimitrov, Frederic Kalt en Galina Simkina. Decor en kostuums: Nigel Lowery; choreografie: Serge Bennathan; regie: Robert Carsen. Gezien: 9/10 Kon. Vlaamse Opera Antwerpen. Herhalingen: 14, 17, 20, 25/10. Radio-uitz.: 20/10 20.00 uur BRTN 3.

De premièrevoorstelling van Puccini's Turandot, verleden week dinsdag bij de Vlaamse Opera in Antwerpen, was een herhaling van wat ooit gebeurde bij de Nationale Opera in Brussel: de vertolker van de hoofdrol afwezig, een vocalist die de enscenering niet had ingestudeerd zingend in de bak en de regisseur op het podium, de rol uitbeeldend - de ultieme vorm van regisseurstheater. In de Brusselse voorstelling van Bergs Lulu was het Ruth Berghaus, die een onwillige Teresa Stratas verving, in de Antwerpse Turandot was het Robert Carsen, die de rol van Calaf speelde omdat Stefano Algieri ziek was. In de bak zong zijn vervanger, de Amerikaanse tenor Frederic Kalt, die bij de tweede voorstelling, afgelopen vrijdag, snel door Carsen bijgespijkerd, nu op het podium zong en acteerde.

Turandot is na opzienbarende voorstellingen van Manon Lescaut en Tosca in Antwerpen Carsens derde produktie van een opera van Puccini, de componist die in het tijdperk-Mortier in Brussel taboe was, omdat diens prominente naturalisme en realisme de regisseur niet in staat zou stellen tot een concept, dat de voorstelling uittilt boven het niveau van de fraai geïlllustreerde anekdote. Carsen bewijst met deze Turandot opnieuw het tegendeel: zijn produktie rekent af met de gevestigde cliché's in de opvoeringshistorie van Puccini's laatste opera, waarvan de slotscène bij zijn dood in Brussel (1924) door hem onvoltooid werd nagelaten.

Niets in Antwerpen, behalve dan de pentatonische elementen in de muziek, herinnert nog aan de uiterlijke exotiek van het sprookjesverhaal van Turandot, de ijzingwekkend wrede Chinese prinses die zich na duizenden jaren alsnog wil wreken voor de verkrachting van haar stammoeder door een prins der Tartaren. Huwelijkskandidaten die zich melden moeten haar drie raadsels oplossen en als zij falen worden zij onthoofd. Dat is al vele jonge prinsen overkomen, tot de Tarterenprins Calaf aantreedt en niet alleen de raadsels oplost maar met zijn brandende liefde ook haar bevroren menselijkheid doet ontdooien. Na millennia is er ten lange leste verzoening en een nieuw begin.

Robert Carsen projecteert de hoofdrollen van Turandot en Calaf op het koor, dat daarmee een geabstraheerde superhoofdrol krijgt. Het koor is de uitbeelding van het wisselende en tegenstrijdige karakter van onze samengebalde oerinstincten. Het is de snel te hoop lopende menigte, aanvankelijk door elkaar heen krioelend, zich dan in marsorde groeperend tot het compromisloze volk, de makkelijk manipuleerbare massa, die slechts twee emotionele extremen kent: weeë sentimentaliteit en redeloze agressie.

Aan het begin ontdoet dat volk zich van de kleurrijke verscheidenheid, zoals die blijkt uit de kostumering. De hele voorstelling speelt zich af in zwart, grijs en wit. Pas aan het slot, als Turandot zich hult in een gewaad zo rood als liefdesvuur, keert de bonte individuele diversiteit weer terug.

De voorstelling van Carsen is merkwaardig genoeg het overtuigendst in de tijdloze verbeelding van het negatieve en het abjecte in het menselijk gedrag. Daar spreidt hij een enorme directe dramatiek tentoon. Deze opera is dan in de eerste plaats theater, in de choreografische beweging van het koor zelfs dans, in de symbolische vormgeving een streng en boosaardig ritueel. Er zijn lange rijen, die elkaar de dolk doorgeven waarmee Liù zichzelf doodsteekt. Er is een magische kring van bruidsparen rond Turandot, die in haar bruidsjurk lijkt op een Willi, de geest van een gestorven bruid, de reïncarnatie van haar oermoeder. De slotscène met zijn lofzang op de liefde en de uitbeelding van het menselijk ideaal is daarna een anticlimax van voorspelbare braafheid.

Visueel fraai uitgevoerd, maar eigenlijk zelfs overbodig, zijn de aanduidingen van de essentialia van de menselijke omgeving: kast, stoel en bed. Ze zijn er in reuzenformaat voor de bovenklasse en in normaal formaat voor het gewone volk. Ze vormen echter een nuttige omgeving in de hier stilistisch goed gelukte komische scènes met de ministers Ping, Pang en Pong. Deze verwanten van de drie dames uit Die Zauberflöte, die ook al een dagtaak hebben aan het begeleiden van beproevingen, zijn nu eens niet van die rare piassen, maar drukke heertjes, die wel van een slokje houden. Hun dubbelheid wordt hier verder uitgedrukt doordat ze hun onderkleren dragen over hun bovenkleren.

Dat de voorstelling vocaal en muzikaal verre van topniveau is, deed voor mij bij dat alles weinig terzake. In zekere zin past dat gebrek aan pure schoonheid en nuances zelfs erg goed bij het zwart-witte van dit harde concept. Zonder de allergrootste wereldsterren is immers elke Turandot minder dan ideaal. Dus nog wat minder is geen ramp, zeker niet wanneer een dirigent als Silvio Varviso de hoofdlijnen bewaakt en wanneer we hier kunnen luisteren naar de niet-gecoupeerde versie van de door Alfano gecompleteerde finale.

Het overmatige vibrato van Johanna Meier als Turandot kan men dan beluisteren als aandoenlijk. Frederic Kalt (Calaf) is in zijn versie van Nessun dorma bepaald geen Pavarotti, maar deze robuuste zanger die furore maakt in de Scala heeft wel naar hem geluisterd. De Liù van Galina Simkina is ook niet geweldig, maar dat doet er in haar laatste aangrijpende scène nauwelijks meer toe. En Stefan Dimitrov als Timur zingt precies zoals hij oogt: een blinde schim.

    • Kasper Jansen