Advies: verbied betaald bloed in EG-lidstaten

AMSTERDAM, 13 OKT. De EG moet zo snel mogelijk gebruik van bloedprodukten afkomstig van betaalde donors verbieden. Dit staat in een rapport van de Amsterdamse internist en voorzitter van de European Plasma Fractionation prof.dr. W.G. van Aken, die in opdracht van de Europese Commissie heeft onderzocht of volledige voorziening met bloed van onbetaalde donors binnen de lidstaten mogelijk is. Dat kan als met name Duitsland en de Zuideuropese landen snel overschakelen op deze manier van donorwerving, aldus Van Aken. Deze landen importeren nog veel bloed uit de Verenigde Staten, dat tegen betaling is afgestaan.

Betaalde bloeddonors blijken acht maal zo vaak seropositief te zijn als niet betaalde, zo wijst een eerder dit jaar gepubliceerd Duits onderzoek in het Britse medische tijdschrift The Lancet uit. Deze studie werd gedaan in de periode 1985 tot en met 1991.

Na het schandaal in Frankrijk rondom met het aidsvirus (HIV) besmet bloed lieten de ministers van volksgezondheid van de EG in juni van dit jaar weten een voorkeur te hebben voor gebruik van bloed van onbetaalde donors. De EG stelde in 1989 al een richtlijn op waarin de lidstaten worden "aangemoedigd' alleen van onbetaald bloed gebruik te maken. Vooral Groot-Brittannië, Frankrijk en de Benelux dringen nu aan op een algeheel verbod. Gevreesd wordt dat bij het opengaan van de grenzen toch Amerikaans bloed van betaalde donors op de markt zou komen via Duitsland, Spanje of Italië. De beide zuidelijke lidstaten tonen nu vooral belangstelling voor de Nederlandse opzet van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) van het Nederlandse Rode Kruis in Amsterdam. Het CLB werkt uitsluitend met bloed van onbetaalde donors en op non-profit-basis. Uit onderzoek van Van Aken blijkt dat ook in deze landen een dergelijke opzet mogelijk is.

Pag 7: Nederland snel over op veilig bloed

De zorg binnen de lidstaten dat bloedprodukten ziekten overbrengen is dit voorjaar gevoed door een Frans schandaal, toen bleek dat hemofiliepatiënten halverwege de jaren tachtig met het aidsvirus (HIV) besmet bloed kregen, terwijl behandelaars ervan wisten. De Parijse rechtbank doet eind deze maand uitspraak in deze zaak.

Ook hier zijn lijders aan bloederziekte geïnfecteerd door besmet bloed. Bij hen knaagt nog altijd de vraag of die infecties vermijdbaar waren bij de toenmalige stand van de wetenschap. Ofschoon de aantallen geïnfecteerden in Frankrijk en Nederland niet te vergelijken zijn, is het ook voor de 150 Nederlandse geïnfecteerde hemofiliepatiënten van belang te weten of de overheid danwel de behandelaars in die tijd onnauwkeurigheid of laksheid te verwijten valt.

Directeur Garetta van het Franse Centre National de Transfusion Sanguine (CNTS) liet najaar 1985 in een brief aan de minister van volksgezondheid weten dat alle bloedprodukten besmet waren. Om die reden zou direct moeten worden overgestapt op verhitte produkten, vrij van virus. Het CNTS moest echter de bestaande voorraad distribueren. “Bij ons is de distributie van verhitte produkten eerder begonnen dan in Frankrijk”, zegt directeur prof.dr.E.J. Ruitenberg van het CLB. “Het lijkt er op dat in Frankrijk economische motieven een rol hebben gespeeld.”

Achteraf beschouwd hadden de Nederlandse behandelaars van hemofiliepatiënten eerder kunnen beginnen met het gebruik van de verhitte bloedprodukten, die vrij waren van HIV. “In Nederland was zo'n produkt geregistreerd”, zegt Ruitenberg. “Toch durfden de meeste behandelaars dat niet aan, omdat niet zeker was dat ze niet waren bereid uit bloed van betaalde donors. Dat bloed is aanmerkelijk vaker bemet dan het door Nederlandse donors gegeven bloed.”

Om het gevaar van besmetting te beperken werden homoseksuele mannelijke bloeddonors met veel wisselende contacten hier al in mei 1983 - toen het virus nog niet was ontdekt - opgeroepen zich terug te trekken. Er mocht derhalve van worden uitgegaan dat het bloed veilig was.

Hemofiliepatiënten zijn bij duizenden geïnfecteerd omdat in eerste instantie geen rekening werd gehouden met besmetting door bloedcontact. De helft van alle Amerikaanse hemofiliepatiënten die met HIV zijn geïnfecteerd is vóór half 1982 besmet. Toen zijn ook Nederlandse hemofiliepatiënten geïnfecteerd. Twee Amerikaanse producenten brachten in 1983 al verhitte bloedprodukten op de markt omdat daardoor overdracht van hepatitis zou worden voorkomen. De wetenschap was sceptisch, vooral toen bleek dat overdracht van hepatitis niet afdoende werd voorkomen. Pas in 1984 bleek dat HIV wel uiterst gevoelig was voor die hittebehandeling. De Amerikaanse National Haemophilia Foundation drong er in 1984 op aan verhitte produkten te gebruiken. Tachtig procent van alle Amerikaanse hemofiliepatiënten was toen geïnfecteerd. “Daar wordt plasma gebruikt van betaalde donoren. Bij onze donors werden geen infecties vermoed. Bovendien liep de epidemie in Amerika drie jaar vooruit”, aldus Ruitenberg.

Dat hittebehandeling overdracht van HIV uitsloot werd pas in februari 1985 bewezen geacht. De overheid zette meteen vaart achter registratie van deze produkten en het CLB bouwde een voorraad op. In juni kon worden overgeschakeld op het veilige produkt. In die periode bleek dat van de 1.200 hemofiliepatiënten rond 150 zijn geïnfecteerd, ongeveer twaalf procent. Dat percentage steekt gunstig af bij andere Europese landen, zoals West-Duitsland met 61 procent en Frankrijk en Groot Brittannië, waar 45 procent van alle hemofiliepatiënten geïnfecteerd zijn.

    • Bram Pols