WAO-ingreep kan ernstig precedent zijn

Bewindspersonen en Kamerleden zetten zich schrap voor het beslissende debat over de regeringsvoorstellen om het ziekteverzuim en het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. De overeenstemming over de doelstelling is groot. Veel voorgestelde maatregelen worden vrij algemeen positief gewaardeerd, al bestaat bij de vakbeweging en de werkgevers op bepaalde punten enig bezwaar.

De mate van consensus is niet verwonderlijk: ervaring en onderzoek hebben aangetoond dat de uit de hand gelopen groei van het aantal trekkers van WAO-uitkeringen te wijten is aan aanwijsbare gebreken in de praktijk van de wetsuitvoering. Onder meer: oneigenlijk gebruik van de WAO om afslanking van bedrijven mogelijk te maken; onvoldoende medische en sociale controle; slechte arbeidsomstandigheden; onvoldoende pogingen om gedeeltelijk gehandicapten en herstelde patiënten in het arbeidsproces terug te voeren; en ten slotte het euvel van opzettelijk misbruik.

Bij alle voldoening over de consensus past echter ook een gevoel van schaamte, want de politiek en de samenleving hebben de gebreken tientallen jaren gedoogd. Het is verheugend dat nu een serieuze poging wordt ondernomen om die gebreken te herstellen. Eén grote twistappel in het pakket van voorstellen geeft echter aanleiding tot felle discussies: de beperking van de hoogte en duur van de uitkeringen. De onenigheid concentreert zich vooral op de wens van de regering om de reeds lopende uitkeringen bij inwerkingtreden van de wijzigingswet te "bevriezen', behalve voor uitkeringstrekkers die de vijftig zijn gepasseerd.

Degenen die jonger zijn, zouden in de overgangsregeling vallen, die hun huidige uitkering - mede gebaseerd op hun leeftijd - na korte tijd voorgoed vastpint, zodat zij niet meer wordt aangepast aan de ontwikkeling van het loonpeil.

Tegen dat laatste voorstel hopen zich nu de protesten op. Daarin wordt erop gewezen, dat het plan van de regering in 1991 werd gepubliceerd, toen het aantal WAO-trekkers stijgende was. Sindsdien echter is een zekere stilstand ingetreden, met een neiging tot daling. Wanneer de Raad van State dan ook - met tegenzin overigens - de voorgenomen ingreep billijkt op grond van "bijzondere omstandigheden' (de onrustbarende stijging van het aantal uitkeringen), is de vraag gerechtvaardigd of dat argument nog steeds geldig is.

De tegenzin van de Raad is verklaarbaar. Immers, de WAO beoogt aan degenen die op grond van arbeidsongeschiktheid uit het arbeidsproces zijn gestoten, een recht te geven op een bij de wet vastgesteld vervangend inkomen. De regeringsvoorstellen knabbelen aan dat recht. Hoewel, strikt genomen, geen "pact' tussen het parlement en de rechthebbende op een WAO-uitkering is gesloten, mag hier worden herinnerd aan het adagium Pacta sunt servanda: formele afspraken moeten worden nagekomen. Anders tast men de sociale zekerheid op een essentieel punt aan en dat zou een precedent kunnen vormen voor andere bezuinigingen op verkregen uitkeringsrechten.

Wat moeten we overigens denken van de regels, die de regering heeft bedacht voor de nieuwe gevallen van arbeidsongeschiktheid?

Vergeleken met wat zij volgens de huidige regels zouden moeten ontvangen, gaan zij er sterk op achteruit. Degenen, die tot de laagste leeftijdscategorie behoren (tot en met 32 jaar op het tijdstip dat hun uitkering ingaat), hebben slechts één jaar recht op de hoogste uitkering van 70 procent van het laatstverdiende loon. Die termijn van een jaar loopt met de aanvangsleeftijd op tot vijf jaar of meer (tot het 65ste jaar voor 58-jarigen en ouderen). Na die "eerste periode' heeft men slechts recht op de "vervolguitkering'. De hoogte hiervan wordt berekend aan de hand van een formule, die uit vier onderdelen bestaat.

Als voorbeeld laat het infoblad van het departement van sociale zaken zien, dat voor een werknemer met een laatstverdiend dagloon van ƒ 240, die bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid veertig jaar oud was, na in de eerste periode van twee jaar een uitkering van 70 procent te hebben genoten, de vervolguitkering ƒ 123,90 bedraagt, in plaats van wat de wet hem nu biedt, namelijk onveranderlijk 70 procent van zijn dagloon of ƒ 168. Met dat bedrag van nog geen ƒ 625 per week moet hij voortaan rondkomen, als hij niet in het arbeidsproces kan worden teruggeplaatst. Voor een (aanvankelijk) dertigjarige valt de uitkering nog lager uit: ƒ 99,40, nog geen ƒ 500 per week.

De verschillen met het laatstverdiende loon respectievelijk met het uitkeringsbedrag volgens de huidige regeling zijn dus niet gering. Moet deze nieuwe opzet heus wet worden? En is het voorgestelde gecompliceerde systeem technisch wel uitvoerbaar? Zullen de toekennings- en wijzigingsbeslissingen niet zoveel haken en ogen opleveren, dat grote vertragingen onvermijdelijk zijn? Deze vraag heeft in de discussies nauwelijks een rol gespeeld.

Belangrijker nog is het principiële aspect. Is het billijk, dat aan de WAO-uitkeringen gesnoeid gaat worden? Zijn de argumenten daarvoor zo sterk, dat zij opwegen tegen de pijn, die de meerderheid van bonafide rechthebbenden daarvan zal ondervinden, èn tegen het bezwaar dat de "arme kant van Nederland' nog scherper gaat afsteken tegen de sterk gestegen welvaart van de rest van Nederland. Kunnen bovendien (te) lage uitkeringen niet de neiging tot zwart bijverdienen versterken?

Het hoofddoel van de wettelijke operatie is het terugdringen van het aantal WAO'ers, in de eerste plaats door terugdringing van het ziekteverzuim en bevordering van de terugkeer naar het arbeidsproces. Getuigt het dan niet van weinig vertrouwen van de regering in deze sociale maatregelen, als tegelijk de individuele uitkeringen worden verlaagd? Is het dan geen wijs beleid eerst de sociale maatregelen in te voeren en pas na enige tijd te bezien of beperking van de uitkeringshoogte geboden is? Het kabinet wekt nu de de schijn dat het kwetsbaarste deel van de bevolking moet opdraaien voor wat macro-economisch is misgegaan.

Minister Hirsch Ballin heeft dit voorjaar een beroep op de kerken en levensbeschouwelijke organisaties gedaan, mee te helpen aan de versterking van het besef van normen en waarden in de samenleving. Ik neem aan, dat hij daarbij ook aan politici en bewindslieden heeft gedacht. Nu heeft hij een mooie kans om zijn streven in praktijk te brengen: door ervoor te zorgen dat de kabinetsvoorstellen voor de uitkeringen worden heroverwogen.