Sterling

Onder de titel "Gebroken gezin' gaf de financiële redactie in de krant van 25 september een aardig overzicht van de droefenis die de aanblik van het valutaire slagveld oproept. Ik wierp mij gretig op het Britse pond: “Begin jaren zeventig nog meer dan 12 gulden waard...” begon dit onderdeel, en daarmee bleek de schrijver een viertal decennia te zijn kwijtgeraakt.

Al op 21 september 1931 verliet Groot-Brittannië onverwacht als eerste Westerse mogendheid de gouden standaard; een donderslag bij heldere hemel. De financiële wereld was in rep en roer, en de waarde van het pond zakte van ƒ 12,10 naar aanvankelijk ƒ 8,55, maar bleef verder dalen tot ƒ 7,29 ultimo 1934. Het mooie sterling-gevoel was daarmee verleden tijd.

Het pond was in die dagen nog in aanzienlijke mate wereldvaluta, en verscheidene andere Europese valuta's devalueerden dan ook eveneens, maar Colijn hield de trotse gulden nog tot 1936 hoog. Toen volgde een devaluatie waardoor het pond sterling weer bijna negen gulden waard was, maar eind 1939 was het al weer verder gedaald tot ƒ 7,44. Vóór de oorlog was het pond dus al bijna veertig procent van z'n waarde kwijt, gemeten in guldens.

In de oorlogsjaren waren de valuta's van de bezette landen natuurlijk minder waard. Het viel met ƒ 11 in het pond eigenlijk nog mee, maar het drama ging daarna weer opgewekt door. Belangrijk was inderdaad de eerste helft van de jaren zeventig: van ƒ 8,30 eind 1971 naar ƒ 4,19 eind 1976. Het einde lijkt nog niet in zicht. Terwijl vader EMS wacht op de terugkomst van de verloren zoon, gaan er elke dag weer een paar centjes af. Vrijdag 2 oktober al ƒ 2,74.