Rapport-Meijer over dienstplicht slecht onderbouwd

Een bezwaar tegen afschaffing van de dienstplicht is volgens de commissie-Meijer dat er op de arbeidsmarkt wellicht niet voldoende beroepspersoneel is te vinden. Dit komt onder meer doordat defensie niet goed opereert op de arbeidsmarkt. In plaats van de aanbeveling om de afdeling personeel van de krijgsmacht zo snel mogelijk te reorganiseren, wordt het kennelijke falen van deze afdeling door de commissie tot uitgangspunt verheven.

Dat niet al te veel mensen staan te trappelen om de openvallende plaatsen in de krijgsmacht op te vullen, is gezien de huidige situatie niet vreemd. De dienstplichtige begint al een paar weken na zijn opkomst af te tellen.

Diverse onderzoeken wijzen uit dat de werkzaamheden afstompend zijn en de beloning ver onder het minimumloon ligt. Dat is voor een potentiële werknemer niet bepaald een stimulans om na de diensttijd enthousiast te solliciteren. Zolang de krijgsmacht haar arbeidsplaatsen makkelijk en goedkoop kan vullen door de dwang van de dienstplicht, zal zij weinig prikkels ondervinden om hierin verandering te brengen.

Dit alles laat onverlet dat er geen goede reden is waarom Defensie niet, net zoals de politie, Philips en het midden- en kleinbedrijf, zijn arbeidskrachten gewoon op de arbeidsmarkt zou moeten werven. Als men geen personeel kan vinden, zal men de arbeidsvoorwaarden moeten aanpassen of de werving moeten verbeteren. Ook commisievoorzitter Meijer suggereerde, zij het op persoonlijke titel, bij de presentatie van zijn rapport dat wellicht het defensie-apparaat meer rekening moet houden met de realiteit van de arbeidsmarkt.

Volgens de commissie-Meijer zijn dienstplichtigen vooral nodig om de diverse taken in VN-verband uit te oefenen. In de politieke praktijk is het duidelijk dat dienstplichtigen niet zonder meer ingezet kunnen worden in internationale operaties. De motie-Frinking maakt dat de dienstplichtige alleen op basis van vrijwilligheid of met goedkeuring van het parlement uitgezonden kan worden.

De oplossing die Meijer voorstaat is om de dienstplichtigen vooraf een bereidheidsverklaring te vragen. Bij de keuring, veelal vóór de achttiende verjaardag, wordt de dienstplichtige gevraagd een "blanco uitzendcheque' te tekenen. Niet alleen kan men zich afvragen of het moreel wel verantwoord is om iemand die nog niet mag stemmen te vragen een dergelijke verklaring te tekenen, uit het recente verleden blijkt dat een dergelijke constructie in de praktijk slecht werkt.

Ten tijde van Unifil (eind jaren zeventig) werd een dergelijke constructie gebruikt. In de praktijk bleek dat vooral de dienstplichtigen uit het noorden zich vooraf als vrijwilliger hadden opgegeven. De reden was simpel. Bij de keuring was verteld dat de kans op uitzending nihil was, maar dat zij wel zeker in Assen, dus dicht bij huis, zouden worden gelegerd. Achteraf is veel kritiek op dit systeem geuit. Defensie gebruikt dit systeem ook niet meer, maar de commissie-Meijer stelt ondanks de praktische en principiële bezwaren toch een dergelijke constructie voor.

Als laatste argument komt de commissie-Meijer met de kosten op de proppen. Een beroepsleger is te duur. Als de Nederlandse staat een groot leger wil, zal daarvoor de belastingbetaler echter de rekening moeten krijgen, precies eender als bij de gezondheidszorg, het onderwijs en de infrastructuur. Bovendien kijkt de commissie hier wel erg eng. Er wordt uitsluitend gelet op de directe kosten voor defensie. Dat veel dienstplichtigen elders produktiever aan de slag kunnen is minder belangrijk dan het beperkte korte termijn-belang van het defensiebudget. En dit terwijl een op verzoek van de commissie-Meijer gemaakt CPB-rapport aangeeft dat afschaffing van de dienstplicht macro-economisch licht voordelig zal zijn voor Nederland. Kortom, de kosten, die feitelijk geen argument mogen vormen, worden ook te beperkt in de beschouwing verdisconteerd.

De commissie-Meijer heeft ingezien dat de huidige dienstplicht onrechtvaardig is. Toch wordt geadviseerd om de dienstplicht te handhaven. Defensie moet de dienstplichtigen op een aantal punten wel minder onrechtvaardig behandelen, aldus de commissie. De onrechtvaardigheid die inherent is aan de dienstplicht kan volgens de commissie echter niet worden opgeheven. Verkorting van de diensttijd en invoering van efficiency-verlof waren in de jaren tachtig al mogelijk en wenselijk. Zij kwamen immers voort uit een onafhankelijk onderzoek naar de invulling van de dienstplicht. Maar defensie weigerde invoering, omdat dit op onoverkomelijke problemen zou stuiten. De dienstplichtige zou niet goed kunnen worden opgeleid in een zo korte diensttijd. Ook de recent door minister Ter Beek doorgevoerde diensttijdverkorting werd door de militaire top allerminst met gejuich ontvangen. Toen de AVNM in 1989 de invoering van het efficiency-verlof bepleitte, beloofde de toenmalige staatssecretaris Van Houwelingen zijn best te doen om dit in een of andere vorm te realiseren. Veel is daarna van defensie vernomen, maar helaas geen positief bericht over het efficiency-verlof.

Voorstellen die de dienstplicht in de jaren tachtig iets acceptabeler zouden hebben gemaakt, werden in het archief van defensie bijgezet. Om nu deze aanbevelingen als compensatie voor de toekomstige dienstplichtigen te presenteren is wel erg schraal.

    • F.G. Vergouwe