Nu voor of tegen dienstplicht kiezen is onverstandig

Politici, bonden van dienstplichtigen en andere maatschappelijke groeperingen hadden in gedachten en in het openbaar al afscheid genomen van de dienstplicht voordat het rapport van de commissie-Meijer verscheen. Het met vele nuances omgeven advies van deze commissie om de dienstplicht te handhaven is dan ook niet overal met instemming ontvangen. Integendeel, er is een stroom van kritiek losgebarsten.

Er klinken verwijten die neerkomen op het hanteren van verkeerde uitgangspunten, ongenuanceerde analyse van de veiligheidssituatie en onjuiste interpretatie van de arbeidsmarktmogelijkheden voor een beroepsleger. De aanvallen op de commissie zijn ook niet vrij van heftige emoties, waarbij soms zelfs wordt uitgeroepen dat de landmacht-generaals nu in hun vuistje lachen omdat ze hun zin zouden hebben gekregen. Onzin, het enige dat generaals willen voorkomen is dat hun eenheden worden gevuld met gebakken lucht.

De minister van defensie wordt onder anderen door de eigen beleidsambtenaren (hoe komt zoiets toch in de openbaarheid?) aangeraden zich van het advies niets aan te trekken en direct af te gaan op een beroepskrijgsmacht. Een serieuze discussie over het onderwerp dienstplicht wordt ernstig bemoeilijkt, omdat vaak uit vooringenomen standpunten wordt geredeneerd. Hierdoor komt men tot tegengestelde conclusies bij de beoordeling van de veiligheidssituatie. En zo is het ook met de arbeidsmarkt: wel genoeg vrijwilligers of niet genoeg vrijwilligers. Kortom, er is verschil van mening over vrijwel alle aspecten die samenhangen met het te kiezen systeem van legervorming.

Defensie is een primaire functie van de staat, vertroebeling door politieke emoties moet dan ook zo mogelijk worden vermeden. Uitgangspunt voor veiligheid en defensiebeleid is de veiligheidssituatie en de ontwikkelingen die zich daarin kunnen voordoen. Zo is de conclusie dat de Koude Oorlog voorbij is en een massale verrassingsaanval niet waarschijnlijk, wel juist, maar niet voldoende. De eeuwige vrede is niet uitgebroken en de wereld beweegt zich ook niet per definitie in die richting. Om eventuele negatieve en vaak ook onverwachts en schoksgewijs optredende ontwikkelingen te kunnen opvangen moeten bepaalde defensie-opties voor de toekomst worden opengehouden waarbij niet meer direct aan omvangrijke parate strijdkrachten hoeft te worden gedacht.

Moderne strijdkrachten kunnen tegenwoordig niet in korte tijd uit het niets worden gecreëerd. De rol van zwaardere reservestrijdkrachten mag dan ook niet worden gebagatelliseerd. Belangrijke vragen bij de vorming van een leger zijn: wat is er nodig, hoeveel moet er daarvan direct beschikbaar zijn en wat mag er eventueel wat later komen. Met andere woorden: wat moet de verhouding zijn tussen parate en mobilisabele strijdkrachten.

Het gaat allereerst om de taken die moeten worden uitgevoerd in het kader van het gekozen veiligheidsbeleid. Die taken kunnen bijvoorbeeld worden geformuleerd als: bijdragen aan de bondgenootschappelijke verdediging (het gaat dan natuurlijk niet alleen om het veiligstellen van het Nederlandse grondgebied) en kunnen deelnemen aan crisisbeheersingsopdrachten buiten het verdragsgebied bijvoorbeeld in het kader van de Verenigde Naties of de WEU, NAVO en dergelijke. De aard van die crisisbeheersingsopdrachten kan uiteenlopen van het zenden van militaire waarnemers tot vredesoperaties met een humitair en/of gewelddadig karakter. Wat Nederland zou moeten bijdragen is mede afhankelijk van de vraag hoe de taken worden verdeeld bijvoorbeeld in de NAVO. Is daarbij taakspecialisatie echt mogelijk of is het een bijna doodgereden stokpaardje?

In ieder geval zijn afspraken met de bondgenoten noodzakelijk. Het nieuwe criterium dat minister Ter Beek wil aanleggen, namelijk: “Wij willen gaarne datgene doen waar wij goed in zijn” leidt tot niets als alle anderen daar toevallig ook goed in zijn. Daar komt bij dat het bij de bondgenoten slecht zou overkomen als Nederland voornamelijk erg goed is in zaken die nuttig zijn voor de eigen economie of die relatief weinig risico meebrengen.

Na op goede gronden te hebben vastgesteld wat de aard van de middelen zou moeten zijn, is de kernvraag de omvang. Is een korps mariniers en een luchtmobiele brigade met elk drie - in wezen lichte - infanteriebataljons genoeg voor crisisbeheersingswerk? Vast staat dat voor crisisbeheersingswerk met een militair aspect zoals in het voormalige Joegoslavië zwaardere middelen zoals pantservoertuigen, vliegtuigen en artillerie onmisbaar zijn. Van belang is vooral wat van Nederland mag worden verwacht, gemeten naar bevolkingsomvang en economische potentie en naar de positie die Nederland internationaal wenst in te nemen.

Zijn aard en omvang van de krijgsmacht op grond van het voorgaande voorlopig vastgesteld dan komt het probleem van de personele vulling aan de orde. Hoeveel mensen met welke contractduur zijn er nodig? Ook het kwaliteitsaspect, zoals het opleidingsniveau speelt daarbij een rol. Kan in geval van een kader-vrijwilligers-krijgsmacht de arbeidsmarkt de benodigde aantallen opleveren waarbij intern klimaat en uitstraling van de krijgsmacht gecombineerd met reële arbeidsvoorwaarden als stimulans kunnen werken?

Het is niet juist de omvang van de krijgsmacht te laten afhangen van wat er toevallig aan personeel te vangen is. Mede daarom bepleit de commissie-Meijer voor handhaving van de dienstplicht, zij het van negen in plaats van twaalf maanden. Er is een tijd geweest dat zestien maanden het toelaatbare minimum was. Kan het nu plotseling wel met negen maanden? Hoe zit het dan met de kwaliteit? Het opleiden van individuele militairen en het formeren en oefenen van bemanningen en gevechtseenheden vraagt zoveel tijd dat er bij een kortere dienstplicht geen ruimte over blijft voor direct inzetbare eenheden. Dat hoeft ook niet als in die behoefte kan worden voorzien door beroepseenheden zoals een luchttransport-squadron en de luchtmobiele brigade.

De beschikbare diensttijd voor de eventueel met dienstplichtigen te vullen eenheden moet maximaal worden uitgebuit. Bovendien zal aan herhalingsoefeningen niet te ontkomen zijn.

Financiële overwegingen mogen geen rol spelen bij de vraag of de dienstplicht dient te worden afgeschaft. De dienstplicht afschaffen omdat dienstplichtigen ongeschikt en ongemotiveerd zouden zijn is evenmin juist. Op dit moment zonder meer voor of tegen de dienstplicht kiezen is hoe dan ook onverstandig. Beter is het om het voorgestane model kader-vrijwilligers-militieleger geleidelijk in te vullen en de nadruk te verschuiven naar vrijwilligers. Op grond van opgedane ervaringen op de arbeidsmarkt en een eventueel veranderde veiligheidssituatie kan dan over enkele jaren opnieuw de balans worden opgemaakt.

    • W.J. Loos