Logge lolligheid in De koopman van Venetië

Voorstelling: De koopman van Venetië van W. Shakespeare door het Nationale Toneel. Vert. Bert Voeten. Regie: Ger Thijs. Spel: Gijs Scholten van Aschat, Hans Croiset, Jacqueline Blom. Gezien: 8/10, Kon. Schouwburg, Den Haag. T/m 16/10 aldaar, elders t/m 25/12.

De allereerste minuut al toont regisseur Ger Thijs wat hij wil met Shakespeares omstreden stuk De koopman van Venetië. Hij plaatst de titelheld (Gijs Scholten van Aschat) met een strop om zijn nek aan de rand van het toneel, laat de uit de coulissen opduikende vrienden Solanio en Salerio zich een hoedje schrikken en vervolgens spreekt de op het nippertje geredde koopman Antonio de eerste woorden van het stuk uit: “Ik weet werkelijk niet waarom ik zo somber ben.” Hier is een regisseur aan het werk die gevoel voor ironie wil tonen.

Dat is opmerkelijk. Bij mijn weten maakte Thijs tot dusver uitsluitend ingehouden, gevoelige en min of meer tradtionele ensceneringen. Hij was - en daar is niets kwaads mee gezegd - toneelmaker zonder direct kunstenaar te zijn, vertolker en geen schepper. Hij leek simpelweg niet querulant genoeg. En daar is dan dat eerste beeld, als ware het afkomstig uit een tekenfilm, van een zich verhangende Antonio in een enigszins mafioos confectiepak. En van een Salerio (Huib Rooymans) die met slappe afwashanden en kittige pasjes weinig te raden laat inzake zijn seksuele geaardheid. Roekeloos bijna om een enscenering van dit stuk zo te laten beginnen. Hoe moet dat straks als het ernst wordt en de jood Shylock alle vooroordelen van zijn omgeving gaat bevestigen en, ter derving van schulden, glashard een pond vlees uit het lijf van de christen Antonio opeist? Hoe ironisch kan en durft Thijs dan nog te zijn? Houdt hij dan deze toon nog wel vol?

Het antwoord is ja, en het antwoord is ook: jammer genoeg. Thijs heeft nadrukkelijk voor een modernistische benadering gekozen, de Koopman aan de haren onze tijd binnensleurend. Het antisemitisme en de xenofobie zijn nog of zelfs opnieuw springlevend en daarom stoffeert Thijs zijn voorstelling met draagbare telefoons, lefgozers op scooters, nozemjacks, spijkerbroeken en minijurken. Hij laat personages elkaar joviale schoppen onder het achterwerk verkopen en confronteert de begeerlijke erfdochter Portia met een hedendaagse oliesheik en een sprekend op Bill Clinton lijkende Amerikaan als huwelijkskandidaten. En de Portia van Jacqueline Blom is een te luidruchtige trut van de tennisbaan - al ben ik er lang niet zeker van of dat een kwestie van rolopvatting is.

In deze uiterlijkheid blijft de voorstelling steken, in deze behaagzieke uiterlijkheid. Want Zeus een blikje cola of Shylock een aktentas in de hand duwen is geen visie maar een vormpje, en meer niet. En in dit geval is het waarschijnlijk zelfs nog minder dan een bewuste vormkeuze: het is een uiting van angst. Alle lolligheid - als de logge en ongeïnspireerde oubolligheid die naam al verdient, de taferelen doen soms denken aan een aangeschoten kantoortuin op vrijdagmiddag - is bedoeld om het stuk te neutraliseren en het te ontdoen van zijn gevaarlijke dubbelzinnigheid.

Het enige "gevaar' schuilt nu in de slotscènes, waarin het eind goed al goed wordt ingeluid door overspelige vrijages en vrijmoedige handtastelijkheden. Daar begreep ik helemaal niets van, maar dat kan ook aan onwil liggen. Dat tot in het decor van Paul Gallis - mobiele zuilen die in een mum van tijd en telkens begeleid door riedeltjes supermarktmuziek de toeschouwer naar weer een andere locatie voeren - de vrijblijvendheid overheerst, is tot daar aan toe. Maar dat men dat op de valreep nog denkt goed te maken met wat Lustige Witwe-achtige pikanterietjes gaat te ver.